Twee dagen praten over Het Schoolvak Nederlands

Door Henk Wolf

De taalkunde is een volwassen wetenschap, met heel veel beoefenaars die in de afgelopen decennia heel veel kennis over taal hebben opgedaan. In het onderwijs is daar alleen weinig van terug te zien. Het enige stukje taalkunde dat op scholen traditioneel veel aandacht krijgt, de zinsbouw, wordt nu nauwelijks anders behandeld dan honderd jaar geleden. Dat geldt inhoudelijk, maar ook didactisch.

Dat stoort me al lang. Ik heb de afgelopen jaren materiaal ontwikkeld om aankomende leraren in het basis- en voortgezet onderwijs te trainen op het opdoen van inzicht in taalstructuur en op het lesgeven op een manier die dat inzicht centraal stelt, zonder de ontleedlessen op te hangen aan trucjes en ezelsbruggetjes. Daar sta ik gelukkig niet alleen in.

Taalonderwijs is verder nog steeds erg normatief. Bijna alle studenten Nederlands, Fries, Duits, Frans en Engels en pabostudenten hebben in het voortgezet onderwijs het idee opgedaan dat er voor taal onveranderlijke voorschriften bestaan, dat het erg is als mensen die overtreden en dat het de voornaamste taak van talendocenten is om die overtredingen te voorkomen. Dat norm bestaat uit veranderlijke sociale afspraken is voor bijna alle studenten een openbaring.

Op 16 en 17 november vond in Brussel het jaarlijkse congres Het schoolvak Nederlands (HSN voor ingewijden) plaats. Deelnemers konden uit een groot aanbod in totaal acht lezingen van een uur volgen, allemaal met raakvlakken met het taalonderwijs. Op het congres heb ik vooral lezingen uitgezocht die te maken hadden met grammaticadidactiek en met taalnorm. Ik vond wat ik daar hoorde erg hoopvol voor de toekomst van het onderwijs in het Nederlands en in andere talen.

Grammaticadidactiek

Als leerlingen een zin moeten ontleden, dan gaan ze er doorgaans van uit dat er één goede ontleding is. Ze ontleden vaak met ezelsbruggetjes en trucjes en het plakken van de juiste etiketten is het doel van de ontleedoefening. Dat was de ervaring van Roy Dielemans, leraar Nederlands en geschiedenis, én onderzoeker. Hij contrasteerde die ervaring met de manier waarop een aantal taalkundigen die hij had gevraagd zinnen ontleedden. Bij hen geen ezelsbruggetjes. Zij keken allereerst naar de valentie van het hoofdwerkwoord, redeneerden vanuit verschillende typen predicatie en wogen verschillende opties af. Ze redeneerden niet naar één antwoord toe, maar overwogen verschillende mogelijkheden. Verder bedachten ze vergelijkbare zinnen om hypothesen te testen. Inzicht in de zinsstructuur was hun doel.

Dielemans vertelde hoe in het geschiedenisonderwijs het kritisch denken over de vakinhoud de afgelopen jaren een onderwijsdoel is geworden. Of, zoals Dielemans in de samenvatting van z’n lezing schrijft: “Het schoolvak Geschiedenis heeft de focus veranderd van het kennen van historische feiten naar het historisch redeneren met historische feiten.” Hij hoopt in het taalkundeonderwijs op een vergelijkbare ontwikkeling en is van plan samen met andere leraren lesmateriaal te ontwikkelen en dat te testen waarmee studenten leren na te denken over taalstructuur.

Peter Arno Coppen, Josje Melis, Donna van der Hulst en Liesbeth Stolk-Pronk lieten materiaal zien dat zij gemaakt hebben om leerlingen zover te brengen dat ze gaan nadenken over taalstructuur. De opzet lijkt erg eenvoudig, maar hun materiaal is verrassend effectief. Dat zagen we aan de groepen deelnemers die er zelf mee aan de slag gingen. Ze hadden onder andere een memoryspel gemaakt waarbij steeds drie kaartjes gepakt moesten worden. De speler mocht ze houden als ze met z’n drieën een goede zin vormden. Al heel vroeg in het spel gingen de deelnemers nadenken over congruentie tussen onderwerp en persoonsvorm. Met een taalkundig kaartspel bereikten ze een vergelijkbare manier van denken. Het materiaal is deels gratis en deels tegen kostprijs verkrijgbaar op deze site: link.

Een leraar die al volledig overtuigd is van de meerwaarde van inhoudelijker en moderner taalkundeonderwijs in het voortgezet onderwijs, is Sven Kruizenga. Hij liet zien wat hij daar in zijn eigen lessen voor materiaal voor gebruikte. Dat is veel. Naast mooie nieuwe boeken zoals de Atlas van de Nederlandse taal staat internet vol met zeer bruikbaar materiaal, zoals de videocolleges van Marc van Oostendorp. Kruizenga wil dat leerlingen vooral over dagelijks taalgebruik laten nadenken, iets wat mij in elk geval erg aanspreekt.

Didactiek

De spellen van Coppens et al zijn een interessante en nuttige didactische vernieuwing in het taalonderwijs. Daarvan werden er meer gepresenteerd. Erg mooi vind ik de app Moedertaal in NT2, waarmee leerders van het Nederlands snel antwoord kunnen vinden op grammaticale vragen over het Nederlands. Nou heeft iemand met het Pools als moedertaal doorgaans heel andere grammaticale vragen dan iemand die van huis uit Arabisch spreekt, daarom zijn er per thuistaal groepen vragen opgenomen. De app is te vinden op deze site: link.

Iets wat leerders van het Nederlands over het algemeen lastig vinden, is het gebruik van de positiewerkwoorden zitten, staan, liggen en hangen. Een auto kan op de weg staan als ie niet rijdt, maar op de weg liggen als ie wel rijdt. Plaats je hem op z’n zijkant, dan ligt ie, plaats je hem op z’n koplampen, dan staat ie. Hoewel alle moedertaalsprekers van het Nederlands het gebruik feilloos aanvoelen, weet niemand bewust hoe het systeem precies werkt. Maarten Lemmens heeft het echter voor een groot deel uitgezocht en vertelde welke metaforen en gebruikswijzen achter elk van de positiewerkwoorden schuilen.

Taalnorm

Het orthodoxe idee van een ‘goed Nederlands’ met onveranderlijke normen waar niemand van mag afwijken, wordt gelukkig ook wat losgelaten. Op de HSN pleitten verschillende sprekers voor meer waardering voor de taal zoals ze echt gesproken wordt.

In Vlaanderen wordt volop gediscussieerd over het gebruik van tussentaal of Verkavelingsvlaams op school. Gert de Sutter vertelde hoe deze regionaal gekleurde vormen van het Nederlands vanaf ongeveer 1990 zijn opgekomen, als een bottom-uptegenhanger van de voorheen top-down opgelegde standaardtaal. Zijn verhaal deed me sterk denken aan dat wat Joop van der Horst beschrijft in z’n boek Het einde van de standaardtaal. De Sutter noemt het resoluut afwijzen van tussentaal ‘linguïstische discriminatie’, een term die erg dicht ligt bij wat in het meertalige Friesland vaak ‘taaldiscriminatie’ wordt genoemd. Hij pleit ervoor de trots op de eigen taal, of dat nu dialect of tussentaal is, te stimuleren en leerlingen te leren wisselen tussen verschillende vormen van het Nederlands.

De ontwikkeling van een geschreven norm is ook heel mooi te zien in de negentiende-eeuwse armenbrieven uit Vlaanderen. Die geven enerzijds een normbesef te zien, soms in de vorm van hypercorrecties of zeer schrijftalige constructies, terwijl er anderzijds veel dialectvormen in zichtbaar zijn. Het zijn brieven van gewone burgers en van het taalgebruik van die mensen in de negentiende eeuw en vroeger is nog weinig bekend. Ze vormen een mooie missing link tussen onze tijd en de gekaapte brieven uit de zeventiende en achttiende eeuw, waarmee we studenten Nederlands vertrouwd maken met Vroegnieuwnederlands en de invloed van het vroege Standaardnederlands.

Interessant was ten slotte de lezing van Rudi Janssens over de taalverhoudingen in Brussel. Hij werkt mee aan de Brio-Taalbarometer Brussel, die in kaart brengt welke talen de Brusselaars spreken. Het onderzoek is enigszins vergelijkbaar met de reeks onderzoeken van de Fryske Akademy (Taal yn Fryslân, Taal yn Fryslân op ‘e nij besjoen) en de provincie Friesland (Fluchhifking, Taalatlas) die sinds 1969 worden uitgevoerd. Alleen is er in Friesland al decennia lang sprake van duidelijke trends (stabiele mondelinge beheersing van het Fries, toenemde schriftelijke beheersing van het Fries, afname van de beheersing van de kleine streektalen, afnemend gebruik van het Fries en de kleine streektalen). In Brussel is zo’n duidelijk beeld er niet. Wel is duidelijk dat het Nederlands er klein is en dat het er terrein verliest, erg snel zelfs. Dat komt mogelijk doordat Brussel een stad is waar veel mensen maar kort komen wonen, zoals Nederlandstalige leerkrachten die vaak weer vertrekken als ze op een Vlaamse school een baan kunnen krijgen. Meer informatie staat hier: link.