Gedicht: Hans Andreus • Vroeger

Wijnbevlekt – mag ik zo kinderen noemen,
knapen van lust en parende maagden?
Zondig en onschuldig, flonkerde het leven.
Het was dromerig, somber en sterk.

Dacht ik hieraan, een knaap gevangen,
minachtend metend het woord der weldenkenden?
Leefde ik, temidden van een jeugd als vee, zo,
de slotenmakers der komende jaren?

Ik leefde in vensters, bereed vogels, ving lippen.
Ik zeilde drie boten. Zij zou jong sterven.
Eenzaamheid, zelfbesef, dreven mij verder.
Ik zocht de lucht; een bevroren onderwereld vond ik.

(Vroeger)

Hans Andreus (1926-1977)
uit: Schilderkunst (1954)

———————————–

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter