Gedicht: Hans Andreus • Het koude jaar van de jeugd

Kinderlijk snel kwetsbaar, vrijwillig alleen, hooghartig,
ik het zand zeefde op juwelen en goudstof;
ik wist wat de groene en bruine wieren voorzagen
en ik wist dat ik de zee verstond.

Met golven kon de zee de onrust vangen.
Enkele vogels hoorden daarbij.
De wolken ontvluchtten hun stemmen,
scherp van eenzaamheid.

Ik wist bijna niets van vreugde;
eerst later gaf de lente mij Goden.
En nu nog hoor ik de vissen spreken
en schrijft mijn hand van het land tot de einder.

(Het koude jaar van de jeugd)

Hans Andreus (1926-1977)
uit: Schilderkunst (1954)

———————————–

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter