Sinterklaas in poëtische kledij

Door Renaat Gaspar

De eerste berichten over de jaarlijkse, treurige, pietenkwestie zijn alweer in de pers verschenen. Dus is het hoog tijd voor een vrolijker bijdrage: Sinterklaas in poëtische kledij.

Bij de nadering van het sinterklaasfeest 1954 heeft de redactie van het toenmalige dagblad De Tijd een aantal dichters gevraagd hun talent aan te wenden om een mooi of leuk sinterklaasvers te vervaardigen. Hoe alle aangezochten gereageerd hebben, is niet meer te achterhalen, maar van 25 onder hen zijn de gedichten verschenen in de zaterdagbijlage van 4 december. Een van hen, Anthonie Donker, reageerde overigens pas ‘op herhaald verzoek’. Deze 25 waren, in alfabetische ordening:

Bertus Aafjes, Ad den Besten, Louis de Bourbon, Gerard den Brabander, Remco Campert, Anthonie Donker, Anton van Duinkerken, Jan G. Elburg, Jan Elemans, Willem Elsschot, Jan Engelman, Jac van Hattum, Ed. Hoornik, Cees J. Kelk, Mathias Kemp, Pierre Kemp, Harriet Laurey, Martin Leopold, Piet Minderaa, Michel van der Plas, Adriaan Roland Holst, Jac. Schreurs M.S.C., Bernard Verhoeven, Nico Verhoeven, Bert Voeten. Het inleidende anonieme gedicht was vermoedelijk van de hand van de hoofdredacteur Joop Lücker.

Een aantal van deze gelegenheids-sinterklaasverzen is later in (verzamel)bundels opgenomen, en nog later in Jan de Bas en Arie Bijl, Sinterklaas. De mooiste sinterklaasgedichten uit de Nederlandstalige literatuur. Amsterdam 2009. Het zesregelig versje van Willem Elsschot is afgedrukt in A. Kets-Vree, Willem Elsschot. Zwijgen kan niet verbeterd worden. Ongebundelde teksten. Amsterdam/Borsbeek 1979, p. 61, dáár evenwel zonder de illustratie waarmee het in de krant vergezeld werd. Het merendeel van deze sinterklaasgedichten is echter na de publicatie in De Tijd in vergetelheid geraakt, wat niet vreemd is, gelet op de aard van deze verzen. Maar opmerkelijk genoeg is ook “Hij doet mij de das om” van Remco Campert nooit herdrukt, ook niet in de verzamelbundel Alle bundels gedichten 1951-1970 die hijzelf heeft samengesteld en waarin hij nadrukkelijk zegt dat hij álle gedichten uit die periode heeft opgenomen. Zou hij dit amusante gedicht helemaal vergeten zijn?

Niet minder opmerkelijk, zij het op een ander vlak, is het feit dat Delpher zowat alle jaargangen van het dagblad De Tijd heeft gescand, maar uitgerekend niét de laatste vier maanden van 1954. Maar op het internet zijn al deze sinterkaasverzen toch te vinden. Iemand (wie?) heeft enige tijd geleden (wanneer?) de krantenknipsels met deze gedichten gefotografeerd. Zie dit document. Allemaal op één na: het gedicht van Cees Kelk ontbreekt. Daarom staat het hieronder als nummer 2 afgedrukt.

Alle 26 gedichten hier opnemen zou te veel van het goede zijn. Daarom een selectie van ruim vijf gedichten.

Het eerste gedicht is dat van Remco Campert, de enige van deze dichters die nog in leven is. Het biedt een ironische blik op wat een sinterklaascadeau in die sobere jaren vaak was: een nuttig geschenk, een stropdas of een sjaal bijvoorbeeld. De jonge Campert ten voeten uit: lees en geniet!

Hij doet mij de das om

Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de gard,
maar of je nu zoet of stout was

Op Sinterklaasavond krijg je altijd minstens één das.

Je kunt een jaarlang je best doen, de man van de
belasting opendoen, je vrouw elke week bloemen
geven, in vrede met je buurman leven, kortom:
goed oppassen

Maar je ontsnapt niet aan de dassen.

De kruidenier in Groningen, de smid in Epe, de
schilder in Maastricht, de man die in het huis links
van u woont en de man van de vuilverbranding in Assen

Ze krijgen allemaal dassen.

Na de speculaas, de chocolademelk met vellen, de
worsten van marsepein, de gedichten op rijm en de taai
die te taai was

De das.

In een moment van wilde en onverantwoordelijke hoop
kun je wel eens denken: ik ben er goed van afgekomen,
en je trekt tevreden aan je klapsigaar; maar dan….
surprise!…

Hou je plotseling een das tussen je kiezen.

Dassen met krullen, strepen en ballen
dassen om op te vallen
dassen met een origineel dessin
van Pierre Balmin
dassen om uit begraven te gaan
dassen die zo goed bij je bruine pak zullen staan
dassen om het gaatje in je blauwe overhemd mee te
bedekken
dassen om nooit van je leven aan te trekken
beschaafde dassen voor een afspraak met een
(beschaafde) relatie
schreeuwerige dassen met de kleuren van de
Nederlandse natie
dassen in alle maten
dassen om dit mee te doen en dat mee te laten…

Hoor, wie klopt daar, kinderen? Wie loopt daar door
de gang met trage oude plechtige passen?

Het is Sinterklaas met een zak vol dassen.

Remco Campert

Het poëtisch gehalte moge dan niet even groot zijn als het vorige, dit volgende gedicht van Kees Kelk geeft blijk van een zeker amusant vernuft. Hij heeft een duurder cadeau voor zichzelf bedacht, een dat bovendien niet alleen nuttig, maar ook noodzakelijk was. Regelmatig ontving Juliana schrijvende en beeldende kunstenaars op Soestdijk; nu zou hij fatsoenlijk gekleed aan het hof kunnen verschijnen.

(Bij een jas aan mezelf)

Beste Kees, die oude jas,
die nog van je vader was
is middelerwijl zo groen als gras
en die komt niet meer te pas.
Sinterklaas heeft nu bedacht,
dat het anders moet en bracht
in het hartje van de nacht
jou een nieuwe wintervacht.
Want hij weet dat jij te vet
wordt van borstplaat en banket.
Alles van die oude pret
heb je uit je hoofd gezet.
Daarom ben je zeker blij
met zulk degelijke kledij
en een hoedje nog daarbij:
wat een vreugd, een heer ben jij!
‘k Weet maar al te goed, een hand-
vol met geld kost het bekant,
maar de riksjes van de krant
brengen al ’t begin tot stand.
Voor jou was Sinterklaas een bof
en je kunt nu naar het Hof
met je jas van zware stof:
ieder lacht en is vol lof.
Neem je hoed af voor de Sint,
die zijn dichters zo bemint,
dat hij ze in windselen windt,
die de wereld schitterend vindt.

C.J. Kelk

Voor Mathias Kemp lag er een stralende toekomst in de ruimtevaart. En dat is geen wonder, met een hoorspelreeks als Monus, de man van de maan, met jeugdboeken als Rik Robbers, ruimtepiloot en met sciencefiction boeken als Aarde, jaar 2000 werd jong en oud vermaakt. Ruimtevaart was hot.

Het jaar 2000 was in 1954 nog ver weg, maar Mathias Kemp vloog nóg verder de toekomst in met:

Sinterklaas A.D. 2500

Beste Sint, ge treft het slecht
met uw schimmel en uw knecht.

Van de kindren is er geen;
ik ben vaderziel alleen.

Fons ligt radioactief
Van een Maanse minnebrief.

Fieke trouwde op lauwe ster
honderdtien lichtjaren ver.

Dolf en Wiel – dat zit me dwars –
zijn gaan tennissen op Mars.

Wies voor Cybernetica-
cursus naar Amerika.

Onze Dora – kleine zot –
ging op stap met een robot.

Zwarte Piet, mijn Hansje is zoek!
Geef hem voor zijn ruimte-broek.

Beste Sint, je witte paard
werd wel ouderwets voor de aard.

Zeul niet meer van dak op dak
atoom-ped biedt meer gemak!

Math. Kemp

Tegenover de optimistische toekomstgedachten over de jeugd staat de weemoedige herdenking van het ouder geworden individu. Fraai is de herinnering van Bert Voeten aan het sinterklaasfeest. Hij is weer het kind dat ’s morgens na het ontwaken, in ruil voor het hooi en de wortel, al zijn wensen vervuld ziet.

Het wonder

Warm en koud van verwachting
en zalige onrust lag ik
in bed. De gordijnen hielden
het maanlicht buiten de kamer;
paarden kwamen en gingen
in de decembernacht.

Moed en angst verwisselden
boompje in mij. Ik wilde
wakker blijven om alles
te zien en te horen, ik wilde
slapen en doof zijn voor de
geluiden rondom het huis.

Kloppen en een zacht kreunen,
schuifelen, ver getrappel –
was het een driftige schimmel,
regen of windverdriet;
sloften er moorse muilen
over de zoldervloer?

Onder de dekens bezat ik
een schuilhut, oren en ogen
hield ik dicht en het duister
werd goud en purper, tot ik
ten laatste neerkwam in een
droom van ketting en roe.

Maar als de muisgrijze ochtend
binnentrippelde sloop ik
popelend naar de schoorsteen
en stond opnieuw voor het wonder:
de lege schoen, en op tafel
al mijn wensen vervuld.

bert voeten

En ten slotte Jan Elburg. Hij heeft wel het opmerkelijkste en afwijkendste sinterklaasgedicht van allemaal geschreven. Het is dan ook meer dan eens herdrukt. Toch mag het hier niet ontbreken. Jan Elburg volgt Guillaume Apollinaire, Paul van Ostayen en I.K. Bonset (Theo van Doesburg) na in hun typografische Spielerei en merkwaardige woordvervormingen. Bovendien dicht hij op experimentele wijze in bebop-muziekstijl, dus met soms betekenisloze woorden. Voer voor exegeten!

Sinterbop

Si, si de mamma, de man.
schrijdt door de boeman.
mak. kersttak.
! UUUUUU ! (wild geraas).
teer leica. vond je? is geckoman.
tafontijntje tje tje tje
van zinder klagelijk.
revolverwachting. KLOP KLOP KLOP.
(hersens)
wiedekoe krijt wiedegart.
(bis) schop.

OOOOOO watteprut bazaltzijn.
te spelen met de bom. de horlepijp.
heerlijk s
u
l
l
e
n WALLES (nietes)
delen.
suiker GOED suiker.
en MARS! links rechts links rechts.
en PIJN.
marowee wat BITtere rijst.
krengen. WIJ. voor koekoek koekoek.
gardenia gardenia driemaal de O.
bis (schop).

maar. IK. V R E E S. niet
IK niet.
dat wij (da twij. de twijfel.)
KLAGEN.
va der ligt een kip int water.
moe der ligt een kip int water.
cijns. O goed.
waren WIJ niet allen?
dagen.
velen waren WIJ.
(toch zoet).

Jan G. Elburg

Maar het echte slotwoord is aan Louis de Bourbon, de dichter die zich als achterkleinzoon van Karl Wilhelm Naundorff (“Lodewijk XVII”) beroemde op zijn koninklijke afkomst. In de tweede strofe van zijn gedicht Sinterklaas 1954 richt hij zich tot de geestdrijvers die de blijvende vestiging wilden tegengaan van de zogeheten ‘Indische Nederlanders uit de lagere volksklassen’; in het verlengde daarvan lokte enige tijd later een aantal herrieschoppers in Den Haag de ‘Indo-rellen’ uit. Zijn woorden mogen ook de herrieschoppers en geestdrijvers in onze dagen zich aantrekken:

Zwarte Piet, zwarte piet,
in de huidskleur zit het niet.
Zij zijn enkel te beklagen
die in wijsheid’s dienst versagen.

Vriendschap zetelt in het hart,
vrede sticht men met geen gard.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , , . Bookmark de permalink.