Nogmaals blinn auga: nieuwe inzichten van negentig jaar geleden

De afgelopen periode is er op Neerlandistiek een discussie gevoerd over de mogelijke herkomst van de Germaanse term blinn auga in een middeleeuwse Ierse woordenlijst. De drie belangrijkste discussianten geven vandaag ieder een slotwoord. Tot er nieuwe gegevens opduiken beschouwen we de discussie hiermee als gesloten.

Door Peter Schrijver

Ik had nooit gedacht dat een discussie over het Oudnederlands zou afhangen van de resultaten van een expeditie naar de diepste krochten van de middeleeuws-Ierse filologie, maar dat is nu dus toch gebeurd (BLINN AUGA als Oudnederlands: een waardevolle historische suggestie, 24-10-2018). Nu we hier toch zijn aangeland, kan de lezer het krijgen ook.

De gedetailleerdste studie van O’Mulconry’s Dictionary , de middeleeuws-Ierse woordenlijst waarin blinn auga verschijnt, is die van Eoin Mac Neill (Ériu 11, 1932, 112-129). Mac Neill is degene die heeft getracht aan te tonen dat de wortels van de woordenlijst in de late zevende of vroege achtste eeuw liggen, daarbij niet bevroedend dat Peter Alexander Kerkhof bijna 90 jaar later deze datering zou aangrijpen om te beargumenteren dat blinn auga Oudnederlands zou kunnen zijn. Mac Neill zegt behartenswaardige zaken over de interne structuur van de woordenlijst, waarbij hij twee strata onderscheidt. Het eerste stratum bevat woorden die op basis van de eerste en tweede letter, of de eerste letter en de eerstvolgende klinker, zijn gealfabetiseerd. Dit stratum bevat in de regel gewone Ierse woorden, die van een Latijnse, Griekse, Hebreeuwse of soms Ierse etymologie worden voorzien. Het tweede stratum heeft het karakter van een supplement. Daarin zijn de woorden uitsluitend gerangschikt op basis van hun eerste letter, en de woorden die we hier vinden zijn in de regel obscure Ierse woorden, die van een Ierse verklaring en heel zelden van een etymologie worden voorzien. Mac Neill dateert dit tweede stratum als ‘Oudiers’, maar wel later dan het eerste stratum. Dat wil zeggen: tussen circa 750 en 900. De vikingperiode in Ierland begint in de vroege negende eeuw. En nu komt het: blinn auga behoort tot het tweede stratum, dus volgens Mac Neill niet tot de late zevende of vroege achtste eeuw. Zo wordt het wel heel waarschijnlijk dat blinn auga niet Frankisch maar wel Noors is, zoals Postma en ik eerder betoogden. Het zou goed zijn als Mac Neills dateringen van 90 jaar geleden aan de nieuwste inzichten zouden worden aangepast. Maar omdat we tegenwoordig geneigd zijn in het algemeen iets later te dateren, zou dat vermoedelijk niet tot een wezenlijk ander beeld leiden.

Kerkhof maakt een probleem van de specifieke vorm op -a van blinn auga, die niet goed zou passen bij een Oudnoorse origine. Maar zoals Carl Marstrander al in 1915 heeft laten zien, is blinn auga naar alle waarschijnlijkheid een welgevormde en probleemloze Oudnoorse bijnaam, die te vergelijken is met bekende namen als Þorsteinn Krókauga ‘Thorstein Scheefoog’ en Sigurðr Kýrauga ‘Sigurd Koe-oog’ (De verwijzing naar Marstranders Bidrag til det norske sprogs historie i Irland blz. 155 is eenvoudig te vinden in de Dictionary of the Irish Language onder blinn).

Conclusie: hoe dieper we boren, hoe onwaarschijnlijker het wordt dat blinn auga Oudnederlands is.

Dit bericht is geplaatst in column, taalkunde met de tags , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Nogmaals blinn auga: nieuwe inzichten van negentig jaar geleden

  1. Rob Alberts schreef:

    Mooi dat eerst blind men uiteindelijk ziende wordt voor de achtergrond en de oorsprong van dit woord.

    Vriendelijke groet,

Laat een reactie achter