Houden ‘Conversation superstars’ zich aan gespreksnormen? (6/7)

Door Lucas Seuren

De wereld is vol adviesboeken over hoe je een goed gesprek kunt voeren. Dit is met name handig voor de mensen onder ons die moeite hebben om met vage kennissen of wildvreemden een gesprek te voeren. Maar wat me keer op keer opvalt is dat veel van die adviezen loodrecht staan op de praktijk; daarmee wil ik niet zeggen dat het slechte adviezen zijn—al zitten die er zeker tussen—maar ze zijn niet per se karakteristiek voor een goed gesprek. Het zijn adviezen om aardig gevonden te worden. Ik zal in een korte reeks wekelijkse artikelen zeven adviezen onder de loep nemen, waarbij ik ze vergelijk met de dagelijkse praktijk. Vandaag: geef fatsoenlijke antwoorden.

Vragen

Na vijf edities werd het wel eens tijd om iets te zeggen over het onderwerp waar ik vier jaar van mijn academisch bestaan aan gewijd heb: vragen en antwoorden. Als je een gesprek met iemand probeert aan te knopen, met wie je helemaal niks gemeen hebt, dan is de eerste stap zoeken naar iets waar je allebei over kunt praten. Dat kan natuurlijk het weer zijn of de kwaliteit van de wijn, maar uiteindelijk zul je toch iets over elkaar te weten moeten komen. Dus beginnen we veelal met vragen naar werk, hobbies, en dergelijke. Als je zo’n vraag gesteld krijgt, wat is dan een gepast antwoord?

Grammatica

Laten we eerst kijken naar de grammaticale vorm van de vraag. Als iemand bijvoorbeeld vraagt ‘Wat doe je voor werk?’, dan stuurt die vraag richting een specifiek soort antwoord. Het is een wat-vraag, dus je zult met een wat moeten antwoorden. Zodra je dus iets zegt als ‘Ik ben wetenschapper’ lijkt het erop dat je voldaan hebt aan de agenda van de spreker. Maar wat maakt een antwoord nu genoeg informatie?

Wil je weten wat een goed antwoord is op de vraag, dan moet je rekening houden met de context. Ben je op een feestje met andere academici, dan is wetenschapper geen helder antwoord. Het is dan zinniger om te praten over je discipline en je rol op de academische ladder: promovendus, post-doc, hoogleraar, etc. Ben je daarentegen uitgenodigd voor de Kerstborrel van de schoonfamilie, dan ben je al beduidend informatiever als je jezelf wetenschapper noemt, maar dan nog is het een vrij oppervlakkig antwoord. Bij wetenschapper zal menigeen eerst denken aan de bètawetenschappen: je bent vast een natuurkundige en geen taalkundige.

Ondanks dat de vraag je dus grammaticaal een zekere beperking oplegt, de wat, zul je moeten uitwijden om een adequaat antwoord te moeten geven. Een informatief antwoord op een vraag, kortom, is niet een antwoord dat voldoet aan de grammaticale beperkingen van de vraag, maar een antwoord dat voldoet aan de topicale agenda. Met andere woorden, als iemand een vraag stelt met een ja/nee-vraagzin (‘Heb je een leuke avond?’), dan is het niet genoeg om ja of nee te antwoorden: de spreker probeert te achterhalen hoe jouw avond is; dat is de agenda van de vraag.

Vervolgvragen

Een goed antwoord zou verder moeten voorkomen dat de ander vragen moet stellen. Als iemand vraagt wat je onlangs gedaan hebt zou je dus zeggen ‘Ik ben met de kinderen naar Italië geweest.’ Op die manier laat je de ander ook weten dat je kinderen hebt. Maar als je nadenkt over de volgende stap in het gesprek, dan kun je niet anders concluderen, dan dat de ander nu nog steeds een vervolgvraag moet stellen; waar ben je geweest in Italië, wat heb je daar gedaan, hoe lang ben je weggeweest, hoe oud zijn de kinderen, etc. Kortom, je vertelt meer over jezelf, maar daarmee roep je juist meer vragen op, niet minder.

Is het daarmee een slecht antwoord? Als we kijken naar hoe onderwerpen in gesprekken zich ontwikkelen is er maar een beperkt aantal opties. Iemand kan een onderwerp voorstellen of de ander de mogelijkheid bieden om een onderwerp aan te snijden—Heb je nog wat leuks te vertellen?. Als je een topic voorstelt kun je dat doen met een vraag—Wat doe je voor werk?—of met een aankondiging—Ik ben naar Italië geweest dit weekend.

Als je een vraag stelt, is het onderwerp niet gelijk vastgelegd. Er gaan altijd een paar beurten overheen. Nadat de ander heeft geantwoord op de vraag, is het aan de spreker om het onderwerp vast te leggen, bijvoorbeeld met een vervolgvraag. Anders gezegd, met de eerste vraag zoek je uit of je gesprekspartner iets te vertellen heeft, het antwoord maakt duidelijk of dat al dan niet zo is, waarna je met een vervolgvraag daadwerkelijk de ander aan het vertellen krijgt.

Een antwoord als We zijn met de kinderen naar Italië geweest is in dat opzicht niet ideaal. Het nieuws is dat je naar Italië bent geweest, en je maakt duidelijk dat je daarover wat te vertellen hebt. De kinderen zijn ondergeschikt. Bovendien, we stemmen onze beurten af op onze gesprekspartners: als je gesprekspartner niet weet dat je kinderen hebt, is het erg onconventioneel om te praten over de kinderen alsof de ander ze kent.

Hoofdpunt

Wat is nu de conclusie? Als iemand een nieuw onderwerp aansnijdt en je vraagt wat je doet, wat je hobbies zijn, wat je onlangs gedaan hebt, etc. moet je doel dus niet zijn om vervolgvragen te voorkomen. Het antwoord moet duidelijk maken dat je iets te vertellen hebt. Het moet informatief genoeg zijn voor de gesprekspartner om te snappen wat je bedoelt, maar niet informatiever dan dat. Het is dan aan de gesprekspartner om te bepalen of het een interessant onderwerp is. De ruimte bieden voor vragen is dus juist essentieel in een goed antwoord op zo’n openingsvraag.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter