Gedicht: A. Roland Holst • Vergankelijkheid

Vergankelijkheid

Waar ’t najaar ritselt door de schemering
daar vonden zij elkaar, en mijmrend stonden
zij hart aan hart, tot hij zijn hoofd neerhing
naar haar geheven weemoed – en toen vonden
de roode droefenissen van hun monden
elkaar, bedwelmend, in één duizeling …

Eindelijk weken uit die duizeling
langzaam de droefenissen van hun monden;
hij hief zijn hoofd, haar weemoed neeg, elk ging
eenzaam weer heen, en waar ze elkander vonden,
en waar zij, hart aan hart, mond aan mond, stonden,
ritselt het najaar door de schemering.

A. Roland Holst (1888-1976)

———————————–

Dit bericht is geplaatst in gedicht, geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter