De punt (2/2)

Nultaal (7)

Door Jan Renkema

Zonder nul is er geen wiskunde. Zonder niets is er geen communicatie. Want niets in taal is niet niets, maar iets. In deze serie een verkenning van onder meer: de stilte, de spatie, de betekenis van de punt, wat er gebeurt tussen ‘navel’ en ‘truitje’, het inhoudsloze gesprek, ‘Dat hebt u mij niet horen zeggen,‘E 621’ op een verpakking en verbale reddingsvlotten. Niets?zeggend, nee: Iets!zeggend.

In de vorige aflevering ging het over de punt als betekenisdrager tussen twee zinnen. De punt als aanduiding van nultaal, die minieme pauze tussen twee uitingen in gesproken taal. Die punt is de grootste betekenisdrager in tekst.

Niet te geloven? Straks misschien wel, na een taalspelletje. Ik zeg wel ‘spelletje’, maar het is meer dan dat. Eigenlijk gaat het over ons voorstellingsvermogen, en hoe dat geprikkeld wordt door het niets van de punt. Neem de volgende combinatie van zinnen. Kan die wel of kan die niet?

  • Onze taal heeft meer dan 300.000 woorden. Jij krijgt van mij een fles wijn.

Nee, dat kan niet, zul je zeggen. Is dat het spelletje dat je uit verschillende kolommen van een krant een zin haalt? En die dan achter elkaar plakt, en dan lachen om de gekke combinaties? Nee, dat heeft er niets mee te maken. Wat we hier zien, wordt met een moeilijke term wel een non sequitur genoemd, Latijn voor ‘het volgt niet’. Dus de tweede zin kan niet volgen op de eerste. Meestal gaat het bij non sequiturs over onlogische redeneringen of humoristische gevolgtrekkingen zoals:

Mensen houden ervan om over het strand te lopen. Strand bestaat uit zand. Dus laten we in onze huiskamers de vloer bestrooien met zand.

Het voorbeeld met de twee zinnen over taal en een fles wijn lijkt ook een non sequitur. De tweede zin kan niet volgen op de eerste zin. Maar nu komt het. Als het om de punt gaat bestaat er geen non sequitur, hoe vreemd of ongerijmd een combinatie ook lijkt. Die punt is zo machtig dat er uit het niets altijd een betekenis kan oplichten die het verband tussen de twee zinnen logisch of begrijpelijk maakt. Stel dat wij een weddenschap hebben over het aantal woorden in onze taal. Jij zegt meer dan 300.000; ik zeg minder. De inzet is een fles wijn. Ik zoek het op, en moet concluderen dat jij gelijk hebt, dan kan ik zeggen:

  • Onze taal heeft meer dan 300.000 woorden. Jij krijgt van mij een fles wijn.

Nu kun je tegenwerpen: Ja hèhè, nu is de situatie duidelijk. En dan iedereen uiteraard op of rond die punt die betekenis ‘leggen’. Er zijn toch wel zinsparen te bedenken die echt niet bij elkaar passen.

Dat vroeg ik aan lezers. Ik vroeg naar zinscombinaties waartussen echt geen ‘zinnig’ verband is te leggen. Ik vroeg dus technisch geformuleerd om voorbeelden met een non sequitur als vervolgzin. En ik kreeg onder andere dit voorbeeld:

  • Onze taal heeft meer dan 300.000 woorden. En ik heb zelfs geen rijbewijs.

Met deze combinatie was ik snel klaar. Neem de situatie dat de ik-persoon last heeft van minderwaardigheidsgevoelens, en zich zelfs minderwaardiger vindt dan de taal. Dan is de zinscombinatie wel begrijpelijk. Natuurlijk, het blijft een gezochte combinatie, maar tussen de twee zinnen kun je toch een verband leggen. En dat verband ontstaat door de betekenis die oplicht uit het niets van de punt. Dit voorbeeld was trouwens des te gemakkelijker omdat er al een verbindingswoordje staat, en, en ook een ander signaalwoord, zelfs. Zo was al een tipje van de sluier opgelicht. Dus vroeg ik verder naar non sequiturs zonder enige verwijzing tussen de zinnen. Ik kreeg onder andere de volgende combinatie:

  • Onze taal heeft meer dan 300.000 woorden. Sinterklaas bestaat.

Deze is ook niet zo moeilijk. Twee mogelijkheden. De persoon die dit zegt, gelooft niet dat onze taal zoveel woorden heeft, en geeft uiting aan zijn ongeloof door iets te zeggen wat ook niemand gelooft. Of de spreker is helemaal verrast over de rijke gift van onze taal, en roept uit dat hij echt verwonderd is.

Samenvattend: Een punt tussen twee zinnen heeft altijd betekenis. En die betekenis zorgt voor een zinvol verband tussen de zinnen. Dus, in plaats van ‘punt uit’ is het altijd, zal ik maar zeggen, ‘punt met’, behalve natuurlijk bij de slotpunt. Het niets van die punt is zo diep dat, ook al zou je in eerste instantie niets zien, je uiteindelijk toch betekenis kunt ontwaren. Vandaar mijn stelling. Er bestaan geen non sequiturs als het om zinnen gaat. En deze stelling blijf ik verdedigen tot ik voorbeelden ontvang van zinsparen zonder betekenisrelatie. Want dan hebben we inderdaad een punt die niets betekent: iets dat niets is.