Waarom Sanskrit zo goed bij yoga past

Door Emma Kemp

“And move into adho mukha svanasana.” Ik weet dat mijn yogalerares wil dat we in een neerwaartse hond gaan staan, omdat dat meestal logisch volgt op een opwaartse hond, de urdhva mukha svanasana. Sanskrit en yoga zijn voor elke (hobby-)yogi onlosmakelijk verbonden. Wat zit er toch in de taal dat maakt dat de woorden zo goed bij de bewegingen passen, en bij de muziek die de ruimte vult? En wat betekenen al die asana’s?

Een korte cursus Sanskrit

Sanskrit is één van de oudst gedocumenteerde (en nog levende) talen uit de Indo-Europese taalfamilie en is onder andere verwant aan het Grieks. Het Devangari-alfabet dat de taal gebruikt, is gerangschikt op basis van de plek in de mond waar de klanken worden uitgesproken: van de keel via het gehemelte naar de lippen. Dit is vergelijkbaar met de manier waarop we de Nederlandse klinkers opsommen: a, e, i, o en u.

Het vermoeden dat ik al een tijdje heb is dat in het Sanskrit veel dezelfde klinkers voorkomen en het daardoor een heel herkenbaar metrum heeft. Na wat naslagwerk kom ik erachter dat het Sanskrit vier monoftongen (eenklanken) heeft: /a/, /i/, /u/ en /ŗ/, die allemaal op de uiteindes van de klinkerdriehoek liggen. De klinkers kunnen ook verlengd worden. Maar de taal heeft ook diftongen (tweeklanken), als /ai/ en /au/, zoals in mail en open. De frequentie van deze klinkers ligt echter veel lager dan de monoftongen. Zo wordt de /a/ ongeveer twee keer zo vaak gebruikt als andere klinkers bij elkaar. De korte klinkers worden bovendien meer dan twee keer zo vaak gebruikt als de lange klinkers. Vermoedelijk is dit de reden dat de taal een vrij ‘open’ uitspraak krijgt, en niet zo bont klinkt als het Nederlands.

De syllabes van het Sanskrit beginnen simpel gezegd altijd met een consonant, en ze kunnen in zo veel consonanten eindigen als mogelijk, behalve na een nasaal (/n/, /m/) of een plosief (/p/, /t/), dan eindigt de syllabe. Verder heeft een lettergreep altijd maar één klinker. Wellicht komt hier het dansende, magische gevoel vandaan dat de taal heeft: alsof iemand een paardje huppelend over een tafel laat galopperen. Zodra het paardje de tafel raakt, is er een lichte klap, gevolgd door een zwierige opening. Geen wonder dat het zo goed bij yoga past.

Sanskrit in yoga

En yogales begint vaak met een tadasana, een berghouding. Daar is de asana weer: de stam as betekent ‘zitten, aanwezig zijn’ of ‘iets zonder onderbreking doen’. Asana is een algemene term in de yoga voor een bepaalde houding. Veel yogahoudingen zijn vernoemd naar dieren, waaronder zoogdieren (van katten en koeien tot tijgers), vogels, insecten, amfibieën en reptielen en zelfs mythische dieren als draken. Niet alleen de vorm waarin je je lichaam houdt, maar ook de eigenschappen van het dier, komen terug in de pose. Yogi’s zouden de houding van de dieren imiteren, zo wordt het uitgebreide uitstrekkende gedrag van een kat na ontwaken aan het begin van yoga gebruikt als ‘awakening pose’.

Ook andere aspecten van de natuur, als bomen, bergen en piramides horen bij de collectie. Toch is het niet voldoende om te zeggen dat de termen voor de eeuwenoude levenswijze alleen uit de natuur komen. Er worden immers ook namen gebruikt van moderner gereedschap, zoals ‘schoenveter’, ‘schaar’ en ‘wiel’. Deze termen kunnen echter ook later het arsenaal binnengekomen zijn. Andere termen die veel worden gebruikt zijn richtingen zoals ‘opwaarts’ en ‘naar beneden gericht’.

Door combinaties te maken van al deze termen kun je je dus in allerlei (on)mogelijke bochten wringen. Als we weer de constructie bekijken van de neerwaartse hond, ziet het er een stuk logischer uit: de opwaartse hond is opgemaakt uit urdhva (opwaarts), mukha (gezicht), svan (hond) en asana (houding). En aangezien het woord asana in elke houding voorkomt, zijn dat inderdaad een heleboel a’s. Namasté.