Sint en Piet als kunst (3)

Door Henk Wolf

[Dit is deel 3 van dit essay. Klik hier voor deel 1 en deel 2.]

Kunst kan emotie oproepen, maar kunst is vrij – autonoom, ambigu en vrij. Die vrijheid wordt beschermd tegen de druk van de negatieve emoties bij de waarnemers. Kunst kan spelen met een canon. Bijbelse kunst speelt altijd met een canon, de talloze sinterklaastoneelstukjes die jaarlijks worden opgevoerd spelen ook met een canon.

De protesten tegen de figuur van Zwarte Piet zijn protesten tegen die canon. Ze komen van mensen die die figuur negatief waarderen. Doordat kunst autonoom en ambigu is, is die interpretatie ook vrij, ze is legitiem. Ze is echter niet dwingend. Kunst is zelf niet beledigend of kwetsend, maar ze kan wel zo worden gewaardeerd. Dat oordeel is echter in een vrije maatschappij individueel en schept voor niemand rechten of plichten.

Wie demonstreert tegen een figuur als Zwarte Piet, die verheft z’n eigen interpretatie van een toneelstuk van een legitieme tot de enige legitieme. Hij ontkent de autonomie en de ambiguïteit van het toneelstuk. Hij miskent ook het bestaan van een canon. Dat zijn problematische visies op kunst. Nog ernstiger is dat een dergelijke demonstrant eist dat de kunstenaar zijn kunst richt naar de morele en artistieke opvattingen van de demonstrant. Dat is een antiliberale houding die gevaarlijk kan zijn voor de vrije kunst en daarmee voor de vrije samenleving.

Betekent dat dat kritiek op kunst vanuit een individuele interpretatie taboe is? Alles behalve. Kritiek is altijd mogelijk en er zijn vandaag de dag volop mogelijkheden om die kritiek te uiten, te onderbouwen en te verspreiden. Het gevaar voor de artistieke vrijheid komt pas op als demonstranten de vrijheid van de kunstenaar ontkennen. Dat gevaar wordt vergroot als er een publiek bestraffingsmechanisme ontstaat. Juridisch mag een kunstenaar in de westerse wereld dan heel weinig te duchten hebben, in de Verenigde Staten is al heel goed zichtbaar dat kunstenaars onder druk worden gezet om zich te schikken binnen de handelingsruimte die ze van pressiegroepen toebedeeld krijgen. De kunstenaar uit het verhaaltje aan het begin van dit essay bestaat niet echt, maar hij had echt kunnen bestaan. En hij verkeert in gezelschap van wetenschappers, politici, presentatoren en vele anderen die gedisciplineerd worden in een politiek correct bestraffingssysteem, dat aanklaagt, veroordeelt en bestraft op basis van een individuele kunstinterpretatie. Er wordt een morele – of beter: ‘moralistische’ – chantage uitgeoefend. De smaak en de kunstinterpretatie van een groep wordt leidend en de facto verdwijnt de vrijheid van expressie.

* * *

De democratie kan zichzelf opheffen als de meerderheid dat wil. Of dat mag, is een vraag waarop geen goed antwoord mogelijk is. Het is een paradox. Demonstranten die gebruik maken van het recht op vrije expressie om andermans recht op vrije expressie te beteugelen leveren een soortgelijke paradox op. Hetzelfde geldt voor anderen die deze demonstranten weer het zwijgen op willen leggen.

Uit die paradox kun je ontsnappen door te bedenken dat het pleiten voor het opheffen van de democratie an sich niet het einde van de democratie betekent, zoals ook het demonstreren tegen vrije expressie daarvan niet het einde inhoudt. Als er een brede consensus bestaat over het belang van die vrije expressie en als er wetten zijn die haar beschermen, kunnen antidemocratische en antiliberale geluiden zelfs nuttig zijn, doordat ze nieuwe visies bekendmaken en de hele maatschappij tot nadenken dwingen.

Een manier waarop het gekrakeel over Zwarte Piet de interpretatie van het Sinterklaastheater interessanter heeft gemaakt is doordat de reactionaire opstelling een nieuw aspect heeft toegevoegd aan de figuren van Sinterklaas en Zwarte Piet. Ze zijn nationale symbolen geworden, althans veel sterker dan ze dat voorheen waren. Gerben Bakker en Ger Jan Geling beschrijven dat heel mooi in hun boek Over politieke correctheid. Sint en Piet worden nu opgevoerd als symbolen van de Nederlandse – en zelfs Friese – identiteit, net als vlaggen en volksliederen. Geert Wilders bepleitte een zwartepietenwet en het Sinterklaasfeest is op een lijst van immaterieel nationaal erfgoed geplaatst. Bij het proces in oktober 2018 tegen de Friezen die de antizwartepietbewegers met een snelwegblokkade het demonstreren onmogelijk maakten, werden vaandels met zwarte pieten tegelijk met Friese vlaggen gezwaaid en ook het Friese volkslied werd aangeheven. Die symboolwaarde had het Sinterklaasfeest daarvoor niet. Waling Dijkstra beschrijft in zijn boeken Uit Frieslands volksleven zelfs hoe het Sinterklaasfeest in de late negentiende eeuw langzaam voet aan de grond krijgt in Friesland, vaak in nog heel andere gedaanten dan nu. Daarbij verdrong de Sinterklaasviering vaak bestaande plaatselijke cadeaufeesten.

Het uitgesproken antiliberale geluid van de antizwartepietbeweging is dan ook een bijdrage aan de grote poule van ideeën en inzichten, zolang de maatschappij zich er niet door laat ringeloren. Toneelgezelschappen hoeven zich er niets van aan te trekken en zolang dat het geval is, is de boodschap van de demonstranten niet bedreigend.

Anders is het met de snelwegblokkade van de prozwartepietenbeweging. Die beweging kan zich makkelijk profileren als liberaal, maar door anderen het demonstreren te beletten beperkt ze wel heel direct de vrijheid van expressie van die anderen. Dat is ernstiger dan wat de antizwartepietenbeweging wilde. Niet dat het in de praktijk nou zo desastreus heeft uitgepakt: de demonstranten hebben uiteindelijk veel media-aandacht gekregen, maar de laconieke houding van ministers ten opzichte van de wegblokkade legitimeert eigenrichting en dat is ondermijnend voor de rechtsstaat – die zelf weer een conditio sine qua non voor de vrije expressie vormt.

Hoe dan om te gaan met antiliberale geluiden? Dat bepaalt de kunstenaar. De demonstrant mag roepen en protesteren, maar zijn mening hoeft geen rol te spelen. Hij moet niet tot onderhandelingspartner worden gemaakt en de kunstenaar moet ook niet juridisch of maatschappelijk onder druk worden gezet om te gaan onderhandelen. De beste omgang met antiliberale stemmen is ze te negeren, ze duidelijk te maken dat ze geen stemrecht hebben in andermans artistieke expressie. Ze kunnen wel zelf kunst maken. Ze kunnen proberen een eigen canon op te bouwen, bijvoorbeeld met roetveegpieten. Dat recht hebben ze, zonder enig voorbehoud.

* * *

Het standbeeld van het huilende jongetje staat al vijftig jaar in de kelder van het gemeentehuis. Dan ontdekt een ambtenaar het, onder een oud en versleten laken. Wat mooi, denkt ze. Ze klopt het stof eraf. Het doet haar denken aan haar buurjongetje, dat vroeger zo akelig werd mishandeld door zijn moeder. Kindermishandeling is een veelbesproken onderwerp in de media. Dit prachtige beeld kan het lijden van kinderen onder de aandacht van een groot publiek brengen, de mensen laten voelen hoe erg het is om als kind in een gewelddadig gezin op te groeien.

Een jaar later wordt het standbeeld onthuld, nu in een ander parkje, want niemand weet meer dat het ooit eerder buiten heeft gestaan. Het wordt een symbool voor de strijd tegen kindermishandeling. Na een aantal jaar ontdekt de gemeentehistoricus de naam van de buitenlandse kunstenaar die het beeld heeft gemaakt. Diens naam wordt sindsdien in een adem genoemd met het standbeeld en hij wordt geroemd om het oog dat hij had voor kinderleed.

[Dit essay is ook in z’n geheel als pdf-bestand te downloaden.]

Dit bericht is geplaatst in column, cultuur met de tags , , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Sint en Piet als kunst (3)

  1. Anton schreef:

    Een Sintfeest verpesten doe je maar thuis. Niet bij de kinderen.

Laat een reactie achter