Sint en Piet als kunst (2)

Door Henk Wolf

[Dit is een vervolg op ‘Sint en Piet als kunst (1)‘.]

De ambiguïteit van kunst vinden we uiteraard ook in de traditionele theaterstukjes die horen bij de jaarlijkse sinterklaasviering. Hoe de figuur van Zwarte Piet daarin gewaardeerd moet worden, is onderwerp van veel discussie. Er bestaan allerlei opvattingen over die figuur en dat is een normaal verschijnsel. Een gevaar voor de vrijheid van expressie binnen de kunst is er wel, namelijk als gesuggereerd wordt dat Zwarte Piet maar op één manier kan worden geïnterpreteerd.

Er zijn allerlei niet-canonieke varianten op Zwarte Piet, zoals regenboogpieten en stroopwafelpieten, maar ook de canon is niet eenduidig. Wie wat sinterklaasboekjes van de afgelopen honderdvijftig jaar doorbladert, valt meteen op dat er onduidelijkheid bestaat over het aantal knechten van de Sint. Er is één Zwarte Piet (met hoofdletters), maar er zijn ook pepernotenfabrieken en stoomboten vol zwarte pieten (met kleine letters), zoals bijvoorbeeld Pinkeltje in het ene boek een uniek personage is en in het andere deel van een pinkeltjesgemeenschap.

In de canonieke Zwarte Piet komen verder een heleboel bestaande en mythische figuren en typen bij elkaar, net als bijvoorbeeld bij Jezus, aan wie onder andere de maagdelijke geboorte, het profeetschap en het doen van wonderen worden toegeschreven, allemaal zaken die geleend zijn van echte personen of mythische personages. In hoeverre ze verband houden met een werkelijk bestaande Jezus is niet meer na te gaan. Dokter Faust uit de Friese volksverhalen zit in een soortgelijke positie. Ook aan hem worden allerlei daden toegeschreven die geleend zijn Fausts echte leven, uit de verhalen van Spies en Goethe en uit verhalen met heel andere protagonisten.

Zo is Zwarte Piet in elk geval een Moorse huisknecht. In die zin is hij waarschijnlijk bedacht door schrijver Jan Schenkman of de illustrator van diens boek Sint Nikolaas en zijn knecht. Als knecht heeft Piet heel lang naast Sinterklaas gefigureerd, waarbij hij makkelijk kon wisselen tussen het Messenio-achtige type van de slimme knecht en het domme type van bijvoorbeeld Gijs Gans. Huispersoneel kennen we alleen tegenwoordig nauwelijks meer en daardoor wordt de figuur van een knecht voor ons onbegrijpelijk. We begrijpen de meester-knechtrelatie niet en onze eenentwintigste-eeuwse westerse verwachtingshorizon maakt dat we die in socialistische termen problematiseren. Wie af en toe een ouder boek leest, ziet dat die relatie ook evenwichtig, speels en respectvol kon zijn. In volksverhalen trouwt personeel geregeld met werkgever, zo intiem is de relatie blijkbaar.

Van de nu onbegrepen negentiende-eeuwse Moorse huisknecht zijn alleen de naam knecht en het pagepakje overgebleven. Zwarte Piet is sinds een aantal decennia vooral de trouwe sidekick, de dokter Watson, de Robin van de protagonist. Hij speelt de tweede viool, maar dient meer dan eens om de zwakten en excentriciteiten van zijn aanzienlijker kompaan te benadrukken, als een Tom Poes naast heer Bommel, Inspector Lewis naast Morse of Frans van Dusschoten naast André van Duin.

Zwarte Piet is ook Krampus, de onherkenbare griezel die Sinterklaas in de Alpen begeleidt. Rond 1900 was Sinterklaas in delen van Nederland zelf zo’n griezel en in de sunneklazen op de Waddeneilanden is daar nog een restje van over. Het voornaamste doel van Krampus en de sunneklazen is mensen bang maken in de aanloop naar een feestje. Deze kant van Zwarte Piet is natuurlijk grotendeels verdwenen, al herinner ik me nog wel pieten die met hun roe dreigden.

In Zwarte Piet zijn nog veel meer figuren verenigd. Ongetwijfeld hoort de zwarte bestraffer daar ook bij, een archetypisch geëxternaliseerd geweten, een über-Ich. Deze figuur past in het rijtje van de duivel en van boemannen als de Friese bûzehappert. Heel duidelijk is die kant van Piet nog te zien aan de knecht van Sint Pieter, die elk jaar op 21 februari het Friese dorp Grou aandoet. Sint Pieters knecht is identiek aan Zwarte Piet, maar heet Hantsje Pik – en dat is een van de vele bijnamen van de duivel in Friese volksverhalen. Deze bestraffende zwarte man zien we terug in de piet met de roe en de zak, die kinderen disciplineert door ze bang te maken.

Dicht bij die rol van de zwarte bestraffer staat die van de pedagogische kinderschrik, die minder archetypische gedaanten kan aannemen. In Friesland is ‘Antje met het wiel’ zo’n figuur. Antje moest kinderen zoveel angst inboezemen dat ze niet alleen het gevaarlijke korenveld in gingen. De jeugdliteratuur uit de negentiende en vroege twintigste eeuw staat vol met zulke kinderschrikken, die bestaan om kinderen te disciplineren. Met het langzamerhand onbekend worden van de volksverhalen en met het evolueren van de pedagogiek is deze rol ook steeds onbegrijpelijker geworden, al zien we er nog wel restanten van in zak en roe en in teksten uit canonieke sinterklaasliedjes, zoals: ‘… onder in die zak, daar ligt een hele grote plak, voor ’t luie, stoute kind’.

Zwarte Piet is verder natuurlijk ook de nar, die als enige de Sint een beetje belachelijk mag maken. Verder is hij de august, de clown, de potsenmaker. Hij is de acrobaat, die bewondering oproept met zijn lenigheid. Hij is zeker ook de exoot, de neger, de vreemdeling – een type dat natuurlijk net als de huisknecht en de donkere bestraffer steeds minder herkenbaar wordt, zeker in plaatsen in Nederland waar veel donkerhuidige immigranten wonen en waar Zwarte Piet voor kinderen lijkt op de vader van klasgenootjes – of op hun eigen vader.

Ook heel belangrijk: Zwarte Piet is de tijdelijke ontkenning van de werkelijkheid. Zoals de acteur die Sinterklaas speelt zich voor zijn naasten achter een baard en een snor verstopt, zo verstopt de acteur die Zwarte Piet speelt zich achter zwarte schmink. Hij kan zo in de vertrouwde wereld rondlopen en tegelijk in een fantasiewereld, zich even laten gaan zonder zich aan de normale interpersoonlijke regels te houden. Die ontsnapping aan de echte wereld vinden we ook in het Amelander Sunneklaas, in de Krampustraditie, in verkleedpartijen in vroege Nederlandse varianten van het sinterklaasfeest, in het Carnaval, in LARP en in travestie. Het zijn westerse tegenhangers van een ontladend naven, zoals beschreven in het werk van Gregory Bateson. De tijdelijke ontsnapping naar een fantasiewereld is onmogelijk zonder een deugdelijke vermomming.

Natuurlijk is Zwarte Piet ook een religieuze figuur. Voor kinderen is dat letterlijk het geval, zij geloven dat hij net als Sinterklaas echt bestaat. Volwassenen zien hem natuurlijk als een personage, maar wel vaak als een personage dat onlosmakelijk bij een rite hoort, zoals de eieren bij Pasen horen, zoals de hoofddoek en halalvlees in veel islamitische ogen bij de leer van Mohammed hoort, zoals Jezus in de christelijke waarneming mager, blank en baardig hoort te zijn en zoals het clublied en de clubkleuren bij de eigen voetbalclub horen. Aan die vanzelfsprekendheid tornen, is in de ogen van gelovigen heiligschennis, in letterlijke of in figuurlijke zin.

Afhankelijk van het gehanteerde frame kan Zwarte Piet nog veel meer figuren zijn. Hij kan de uitgebuite arbeider zijn, de zwarte slaaf en de onnozele krullenjongen. Hij kan de opofferingsgezinde bejaardenhelper zijn, de trotse edelman en de figurant. Ook kan hij de man in een vrouwonvriendelijk old boys’ network zijn, een Standaardnederlands pratende vijand van de streektalen of een paapse verleider van protestantse kinderzieltjes. Wie in een Amerikaans frame denkt, kan in hem een voortzetting zien van de zwartgeschminkte blanke muzikant uit de tijden van rassensegregatie. Wie in een postkoloniaal frame denkt, kan in hem het slachtoffer van de Europese werelddominantie zien. Wie in een seksueel frame denkt, kan in hem de viriele, jonge, zwarte gezelschapsknaap van een rijke oude man zien. Geen van die interpretaties is fout, omdat foute interpretaties van autonome kunst simpelweg niet bestaan.

Voor de canonieke Piet (of pieten) putten de deelnemers aan het jaarlijkse sinterklaastheater uit het bovenstaande en meer. Ze kunnen er ook van afwijken, ze kunnen eigenschappen veranderen en die kunnen ook weer canoniek worden. Het is een vrij spel met eigenschappen waar elke acteur een eigen kleine bijdrage aan levert, waar Sinteklaasboeken en de televisie een grote bijdrage aan leveren, maar waarin met een canon wordt gespeeld in de vrijheid die alle kunsten genieten in een vrij land.

***

[Morgen verschijnt hier het derde en laatste deel. Het hele essay is ook als pdf-bestand te downloaden.]

Dit bericht is geplaatst in column, cultuur met de tags , , . Bookmark de permalink.

2 reacties op Sint en Piet als kunst (2)

  1. DirkJan schreef:

    Het is duidelijk waar Henk Wolf staat in ‘de zwartepietendiscussie’. Van hem mag iedereen Zwarte Piet invullen zoals hij wil en gaat hij voorbij aan het dominante canonieke stereotype van de zwarte knecht waaraan een minderheid in Nederland danig aanstoot neemt. Kunst en cultuur mogen heilig zijn in expressie, maar gelijkwaardigheid en een niet discriminerende verbeelding van mensen (kinderen) zijn mij heiliger.

    • DirkJan schreef:

      Aan het begin van de zwartepietendiscussie heb ik nog eens een ingezonden brief naar Het Parool gestuurd in de vorm van een open brief aan burgemeester Eberhard van der Laan. Later heeft een promovenda, verbonden aan het Meertens Instituut, mij daardoor een vragenlijst opgestuurd over het onderwerp en de rol hierin van de media. Ik heb daar toen schriftelijk en in losse spreektaal op geantwoord. Leuk om te doen.

      Het aardige van een eigen website is dat je dit soort dingen zelf kan vastleggen en publiceren.

      http://www.dejongenskamer.nl/zwartepiet.htm

Laat een reactie achter