Over de actualiteit en zin van ons vak

Door Jan Konst

Omdat ook in Duitsland de studentenaantallen speciaal op master-niveau teruglopen, participeren wij als neerlandici aan de Freie Universität Berlin in zogenaamde brede opleidingen. Vanaf volgende week ga ik voor het eerst college geven binnen een studieprogramma dat aan de ene kant het actuele literaire veld centraal stelt en aan de andere kant exclusief aan hedendaagse literatuur gewijd is. Het is een samenwerkingsverband van de letterkundedocenten uit alle literaturen (dus: interdisciplinair en transnationaal) en een aanzienlijk deel van colleges wordt aangeboden door mensen uit onder meer de literatuurhuizen, de cultuurredacties van de grote kranten en uitgeverijen (dus: een praktijkgerichte opleiding). Deze master – by the way, de onderwijstaal is het Duits – stuit op veel belangstelling en we hadden bijna drie keer zo veel aanmeldingen als studieplaatsen.

Bij de voorbereiding van het eerste hoorcollege stuitte ik op een interessante observatie van Leonard Herrmann en Silke Horstkotte in de inleiding van hun boek Gegenwartsliteratur (2016). Zij hebben publicaties geteld in de Online-Bibliografie der Deutschen Sprach- und Literaturwissenschaft, het Duitse equivalent van onze eigen BNTL. Daarbij bleek dat er tussen 1985 en 2000 ongeveer 2600 titels opgevoerd worden die aan de eigentijds Duitse literatuur gewijd zijn, terwijl het er tussen 2000 en 2015 maar liefst 17.000 zijn. ‘Gegenwartsliteratur,’ concludeert het tweetal, ‘liegt also offenbar im Trend.’

Skeptici

De observaties van Herrmann en Horstkotte stroken met mijn eigen ervaringen. Anno 2018 blijven me de wantrouwende blikken bespaard die mij twintig jaar geleden, toen ik als jonge docent aan de Freie Universität begon, oudere collega’s nog wel eens toewierpen als ik een college over schrijvende en dus nog levende auteurs aankondigde. Voor deze conservatieve vakgenoten was de enige goede dichter een dode dichter, het enige bestudeerbare oeuvre een afgesloten oeuvre. Dat het goed is dat de literatuurwetenschap de literaire actualiteit ontdekt heeft, onderstreept het feit dat studenten zich nu massaal melden voor de Berlijnse opleiding Angewandte Literaturwissenschaft / Gegenwartsliteratur.

In zijn bijdrage voor De Volkskrant over de momentane situatie van de neerlandistiek breekt ook Gaston Franssen een lans voor de actualiteit van ons vak. Afgestudeerden zijn in zijn ogenen veelzijdig inzetbaar, als ‘international Dutch experts’ en – een formulering overigens waarmee je volgens mij skeptici niet over de streept trekt – ‘epische taalbazen’. Franssen opent zijn pleidooi met kritiek op Lotte Jensen, die zich een kleine week daarvoor in dezelfde krant ook al over de problemen van het universitaire vak Nederlands gebogen had. ‘Het is,’ heet het, ‘jammer dat ze zo’n traditioneel beeld schetst van de neerlandistiek.’ Een beeld, zo vervolgt Franssen, dat onder meer te kritiseren valt omdat het ‘vooral op het verleden gericht’ is.

Preoccupaties

Juist ook gezien het lastige parket waarin zich de neerlandistiek bevindt, vind ik het onverstandig dat de modern letterkundige Franssen niet op zoek gaat naar dat wat hem met de historisch letterkundige Jensen verbindt. Ook al richt zij zich in haar onderzoek niet op het literaire heden, de actualiteit van haar onderzoek is geen andere dan die van Franssens onderzoek naar bijvoorbeeld Gerrit Kouwenaar. Dat heeft te maken met het feit dat ál het goede literatuurwetenschappelijke onderzoek – en daarvan is bij Franssen en Jensen natuurlijk sprake! – actueel is. En dat onafhankelijk van de vraag of je het heden of het verleden in je beschouwingen centraal stelt.

Wat dat betekent, kun je goed zien aan een schema dat Jost Schneider in zijn prachtige Methodengeschichte der Germanistik (2009) heeft opgenomen. Het plaatst ruim dertig literatuurwetenschappelijke theorieën en paradigmata tegen een chronologische as, zodat je precies kunt zien wanneer bepaalde vraagstellingen en benaderingen populair waren. Wat blijkt? Vaak weerspiegelt onderzoek de specifieke preoccupaties van de tijd waarin het ontstaat.

Hetzelfde project

Ik geef een paar voorbeelden. Wanneer aan het einde van de jaren zestig de babyboomers voor democratisering pleiten, komen tegelijk het deconstructivisme en de discoursanalyse op. Onderzoekers laten zien hoe betekenistoekenning al te vaak op bestaande machtsstructuren berustte en ontwikkelen met hun nieuwe tekstbenaderingen zo het literatuurwetenschappelijke equivalent van de Beweging van 68. Een tweede voorbeeld. De tweede feministische golf leidde tijdens de jaren zeventig en tachtig tot een bloei van de genderstudies die tot op de dag van vandaag aanhoudt. En, een derde en laatste illustratie, allerlei globaliseringsprocessen versterken sinds het midden van de jaren tachtig de – zoals Schneider het noemt – Alteritätsforschung: onderzoek naar concepten en representaties van zowel de Ander als de ‘eigen’ identiteit.

De literatuurwetenschap houdt dus de vinger aan de pols van de tijd. Daarbij maakt het niet uit of je historisch letterkundige bent of een literatuurwetenschapper die zich op het heden richt. Want de vragen zijn dezelfde, alleen het object van onderzoek is verschillend. Gaston Fransen en Lotte Jensen werken met andere woorden aan hetzelfde project. Een project dat het publieke debat voedt met observaties en inzichten die allerlei maatschappelijke ontwikkelingen ten goede (kunnen) komen. Daarin ligt de eigenlijke zin en betekenis van de geesteswetenschappen. Ze maken het mogelijk te reflecteren over processen die in de samenleving gaande zijn.

Actualiteit

Studenten moet je dat uitleggen, uiteraard. In onze neoliberale tijden doe ik dat graag aan de hand van cijfers, want soms heb je het gevoel dat alleen die tellen. Welnu, in het Wintersemester 2017-2018 volgden er volgens het Statistische Bundesamt 341.642 studenten aan Duitse universiteiten een geesteswetenschappelijke studie; in diezelfde tijd stonden er bij de germanistiek ruim 70.000 studenten ingeschreven. Een studieplaats kost in Duitsland ongeveer net zo veel als in Nederland. Een verschil is dat de overheid geen bijdrage van studenten vraagt: niemand betaalt collegegeld.

Mijn studenten leg ik nu de vraag voor waarom de Duitse overheid zo onnoemelijk veel geld (om hoeveel nullen het uiteindelijk gaat kan ik niet eens uitrekenen…)  in het universitaire onderwijs in de eigen moedertaal investeert. Ik leid het gesprek dan altijd zo dat we uitkomen bij hetgeen wat ik zo-even al formuleerde: de geesteswetenschappen – en dus ook de germanistiek – maken dat een samenleving over zichzelf nadenkt. Daarin schuilt de actualiteit van alles wat wij aan de letterenfaculteiten doen.

Noodplan

Terug naar Nederland. In september van dit jaar hebben zich aan de Nederlandse universiteiten 183 nieuwe eerstejaars ingeschreven. Daaruit blijkt dat we iets niet goed doen: we slagen er – om welke reden dan ook – niet in studenten voor ons vak te motiveren. Daar moeten we iets aan doen.

Maar je ziet nog iets. We hebben in Nederland te maken met een overheid die de markt kennelijk haar werk wil laten doen. Zij investeert bespottelijk, ja werkelijk bespottelijk weinig in de neerlandistiek, want op een staatsbegroting zijn 183 nieuwe studieplaatsen natuurlijk peanuts. Ook daarom mogen de dalende studentenaantallen niet tot nog méér bezuinigen leiden. Integendeel er zijn grote investeringen nodig om te verhinderen dat de neerlandistiek gemarginaliseerd wordt. In deze woorden schuilt een zeker eigenbelang, zeker, maar het is de intrinsieke betekenis van ons vak als geesteswetenschappelijke discipline die een positief beleid legitimeert. Misschien moet je dat zelfs iets scherper formuleren: om een noodplan kunnen we eigenlijk niet meer heen…

Dit bericht is geplaatst in column met de tags . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter