Maarten Biesheuvel en het gekkenhuis

Door Peter van Zonneveld

Gisterenmiddag vond in Leiden een bijzonder evenement plaats: de presentatie van Verhalen uit het gekkenhuis van Maarten Biesheuvel. Boekhandel Kooyker mocht een grote groep belangstellenden verwelkomen. Twee jonge auteurs droegen hun eigen Biesheuvel-verhaal voor, en Maarten zelf las een stukje uit de nieuwe bundel. Psychiater in ruste Paul Briët kreeg het eerste exemplaar, en toen was het alweer tijd voor de borrel. Opmerkelijk was de verschijning van Maarten ’t Hart. De controverse tussen beide auteurs, ontstaan door dreigende gewelddadigheden van Biesheuvel, leek naar de achtergrond geweken. Het was een ontroerend moment toen ze elkaar de hand schudden. Daarna begon de schrijver zijn bundel te signeren.

Het boek bevat niet alleen een groot aantal gekkenhuisverhalen (waaronder enkele ongepubliceerde), maar ook een mooie inleiding van Eva Biesheuvel en een gesprek met psychiater Andy Lameijn, opgetekend door Aart Hoekman. Hij is niet alleen de uitgever van het boek (Brooklyn), maar ook al jarenlang een toegewijde vriend.

Dankzij Boudewijn Büch leerde ik Maarten kennen in het begin van de jaren zeventig, toen zijn bundel In de bovenkooi net verschenen was. Sindsdien ontmoette ik hem met enige regelmaat, maar ons contact was niet intensief . Dat werd anders toen ik een paar jaar geleden op een borrel bij de Biesheuvels bevriend raakte met Enny Gibbels, die twee huizen verder woont. Er kwamen etentjes, en soms dronken we samen wat of rookten een sigaar. Tijdens zo’n diner kon Maarten opeens het lied ‘Toen wij uit Rotterdam vertrokken’ gaan zingen , om bij de vijfde regel in tranen uit te barsten.

Een enkele keer nam hij me mee naar zijn knusse kamertje boven in Sunny Home, het schilderachtige houten huisje waarin ze wonen. Hij vond het prettig dat ik Karel van het Reve, die hij mateloos bewonderde, gekend had. Soms verliep de conversatie moeizaam. Ik probeerde dan gemeenschappelijke herinneringen op te halen, maar hij reageerde nauwelijks. Het kan zijn dat hij zijn gehoorapparaten niet in had. Opeens vroeg hij met nadruk: ‘Peter, kun jij een gedicht van Piet Paaltjens voordragen?’ Dat deed ik dan, door het fraaie vers ‘Toen Knaap mij de laatste maal knipte’ voor hem te declameren. Nu hij regelmatig in de inrichting vertoeft, zie ik hem helaas veel minder.

De wijze waarop Eva met Maarten omgaat, dwingt bewondering en respect af, vooral natuurlijk ook vanwege haar lichamelijke handicap. Een enkele keer kwam ze mijn hulp inroepen, zoals op de dag dat een van hun vele huisdieren, de cyperse kater Schavuitje, met wie ik het goed kan vinden, naar de dierenarts moest. Maar noch Maarten, noch Eva kreeg het dier de vervoersmand in. Ik opende de mand met de linkerhand, pakte Schavuitje met de andere bij zijn nekvel, tilde hem op en duwde hem naar binnen vóór hij er erg in had. Maarten zei toen: ‘Peter, je bent een fidele kerel! Zullen we gaan corresponderen?’ Voordat ik antwoord kon geven, zei Eva, ‘Nee Maarten, doe dat nou maar niet. Dat heb je met Bastet ook geprobeerd, en dat werd zó gekunsteld!’ Het is er dan ook niet van gekomen…

Maarten Biesheuvel, bijna tachtig nu, is een groot schrijver. Ik ben er zeker van dat ik een mij onbekend verhaal onmiddellijk zou herkennen wanneer het door hem geschreven was. Hij heeft een volstrekt eigen geluid, een opmerkelijke fantasie en zijn werk getuigt van een hartverwarmende eerlijkheid. Het gaat nu minder goed met hem dan een paar jaar geleden. Hij maakt een broze indruk. Zowel Maarten als Eva signeerden mijn exemplaar van de bundel en gaven me zo een tastbaar aandenken aan een middag waar alle aanwezigen met plezier op terug zullen zien.