Kader Abdolah in Amsterdam

Door Peter van Zonneveld

Vrijdagmiddag om vijf uur vond de presentatie plaats van Het pad van de gele slippers. Dit nieuwe boek van Kader Abdolah is een roman over een filmmaker ‘in een tijdperk van revolutie en verraad’ zo lezen we op de achterflap. De auteur was in 2006 gastschrijver aan de Leidse universiteit. Het was daar mijn taak om de gastschrijvers te begeleiden. Als een amanuensis in een stofjas was ik op de achtergrond aanwezig om ervoor te zorgen dat alles goed verliep. Aan Kader heb ik de beste herinneringen. Sindsdien nodigt hij me altijd uit voor deze en dergelijke bijeenkomsten. Dan ben ik blij hem weer te zien. Soms zijn er onverwachte ontmoetingen. Toen Harry Mulisch in 2010 op Zorgvlied begraven werd, liepen we samen achter de baar.

Twaalf jaar geleden was net zijn roman Het huis van de moskee’(2005) verschenen. Dat vond ik een prachtig boek, dat goed laat zien hoe Iran de laatste decennia veranderd is. De traditionele cultuur en een milde vorm van islam hebben plaats gemaakt voor religieus en politiek fanatisme zoals we dat nu op vele plaatsen in de wereld aantreffen. Hij ging bij ons college geven over Mohammed en de koran. Die lessen heb ik allemaal bijgewoond. Ik had besloten me los te maken van al mijn vooroordelen over de islam en gewoon te luisteren naar wat hij te vertellen had. Dat was buitengewoon boeiend en het leidde tot leuke discussies.

Hij zei tegen mij: ‘Jij stelt vragen die men in het Midden Oosten niet zou durven stellen.’ Waarover dat ging weet ik helaas niet meer. Hij vertelde ook over de klassieke Perzische liefdespoëzie. De studenten konden dat zeer waarderen. Na afloop van zijn dertien colleges schonk ik hem een oude gravure van een hop. Deze gevederde vriend is in de Iraanse cultuur een vogel die liefdesboodschappen overbrengt. Mij deed hij vooral denken aan Mongolië, waar ik vanuit de trein tientallen exemplaren van deze opmerkelijke soort heb waargenomen. Ook schonk ik hem een boek over Oosterse handschriften in de Leidse universiteitsbibliotheek.

Tijdens zijn verblijf bij ons gingen we regelmatig samen eten bij Woo Ping in de Diefsteeg. Dan spraken we over het vroegere Perzië. Ik ben zes jaar ouder dan hij, en kan me uit de kranten zelfs Mossadeq nog vaag herinneren, die daar tot 1953 de scepter zwaaide. En natuurlijk ook de sjah, met zijn echtgenotes Soraya en Farah Diba. In die tijd was Teheran een soort Parijs, waar elegante vrouwen in modieuze mantelpakjes rondliepen. ‘Kom daar nu ereis om!’, zou de oude Stastok uit de ‘Camera Obscura’ uitroepen. Ik sprak met hem over de schitterende roman Teheran, een zwanezang (1991) van mijn vriend F. Springer. Een indrukwekkend boek over de val van de sjah, geschreven in luchtige toon. Maar ondertussen diep tragisch. Kader vertelde me uitgebreid over zijn vlucht uit Iran in 1985. De Chinese keuken van Sandra beviel hem ondertussen zeer. Zo trof ik hem op een onverwacht moment daar nog eens aan met zijn hele familie.

Toen Dena, zijn oudste dochter, in Delft een feest gaf omdat zij in Londen een master had behaald, maakte ik kennis met het gezin. Zijn vrouw Soheela organiseerde reizen naar Iran, en nodigde mij uit om met haar mee te gaan. Daar is het helaas niet van gekomen. En nu, twaalf jaar later, zag ik haar en hun twee dochters Dena en Bahar weer. Reizen organiseert ze helaas niet meer. Dat is jammer. Een tijdje geleden bezocht een vriend van mij Iran. Hij kwam enthousiast terug en zei: ‘De helft van de bevolking daar is jonger dan twintig jaar. Die accepteren het gezag van die strenge ayatollahs niet meer. Wij moeten ons daar van buitenaf niet mee bemoeien.’ Toen ik Kader met deze opvatting confronteerde, zei hij: ‘Je vriend heeft volkomen gelijk.’

Het werd vrijdag bij uitgeverij Prometheus in Amsterdam een geanimeerde bijeenkomst, in een vrij klein gezelschap. ‘Ik heb alleen maar mensen uitgenodigd die ik aardig vind, en die iets voor mij betekenen.’ Een compliment dat de aanwezigen natuurlijk graag in ontvangst namen. Hij vertelde over de totstandkoming van zijn boek. Het eerste exemplaar overhandigde hij aan een goede vriend: de Algerijnse schrijver en cineast Karim Traïda. Tot de uitverkorenen behoorde ook onze oud-student Bart de Haas, die net als ik van Kaders colleges had genoten. Ook ontmoette ik er de in Leiden woonachtige Nikolina Sirakova, die zijn boek Salam Europa! net in het Bulgaars had vertaald. De schrijver zelf is in al die jaren nauwelijks veranderd. Alleen zijn snor is nog wat witter geworden. Ik ga zijn boek met veel belangstelling lezen.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter