Grrr – hrmpf – wow!

Door Peter-Arno Coppen

Ja, daar zat ik van de week ineens in een discussie over creativiteit, die ik achteraf nogal onbevredigend vond. Ik was er misschien ook een beetje te zeer met gestrekt been ingegaan, naar aanleiding van het stukje van Marc van Oostendorp over Grote opdracht 7 van curriculum.nu. Marc citeerde daarin met instemming een kritische opmerking van Marc Kregting, die hier met naar mijn smaak allemaal te grote woorden ‘een onverhuld ideologische boodschap’ in zag ‘die linea recta voert naar het neo-liberalisme.’ Voor hem was creativiteit ‘vernietigend’. Marc van Oostendorp was het met hem eens dat dit aspect van creativiteit ten onrechte onvoldoende tot uitdrukking kwam, en dat de creativiteit in die opdracht wat ‘te braaf’ was.

Ik vond dat weer te veel smaken naar het romantische idee dat creativiteit onlosmakelijk verbonden is met de geniale held die de hele wereldorde omver blaast met een briljante gedachte, en dat noemde ik ‘puberaal’.

De discussie ontspoorde eigenlijk meteen in een orgie van framing: de ‘creativiteit van de kleurplaat’, waarbij het vrije intellect beperkt wordt door een schoolse context, de ‘romantiek van de comics’ (het stripverhaal van de held die de wereld redt), creativiteit als precisiebombardement (vernietigen door goed en geconcentreerd mikken), de creativiteit van het lijmen (“Creatief met kurk”) in plaats van breken, de beperkte creativiteit van het ‘probleemoplossend vermogen binnen het ideologische kader’, en een creativiteit die alleen ‘uniek volgens de grootste gemene deler’ is. Het had allemaal bepaald een emotioneel karakter, waardoor Marc van Oostendorp er zelfs vrij snel ‘bedremmeld’ het zwijgen toe deed.

Ik denk dat we achteraf gezien ook enigszins langs elkaar heen zaten te praten. De twee Marcen hadden het over het beeld van creativiteit dat uit de Grote Opdracht opdoemde. Dat was in hun ogen een te beperkt beeld. Ik denk dat ze daar gelijk in hebben, maar wat ze daartegenover stelden wekte dan weer mijn irritatie, omdat ik geïnteresseerd was in de definitie van creativiteit in het algemeen.

Om mijn instemming nog eens precies te omschrijven: ik denk inderdaad dat het gebruik van de term ‘creatief’ bij curriculum.nu een globale aanduiding is voor ‘iets origineels bedenken.’ De term ‘creatief schrijven’ staat in het onderwijs tegenover ‘samenvattend schrijven’ of ‘geleid schrijven’, en gaat in feite om het schrijven van teksten die je zelf bedenkt (het hoeft niet per se fictie te zijn). Verder wordt ‘creatief schrijven’ in het stuk van curriculum.nu verbonden met ‘het creatieve proces’ en ‘creatieve vaardigheden’, die geassocieerd worden met het verzinnen van ‘nieuwe, ongebruikelijke ideeën’ die voor ‘veel vraagstukken’ nodig zijn.

Dit is, dat ben ik met beide Marcen eens, een definitie die aan de arme kant is. De term ‘braaf’ is wat mij betreft te normatief, maar je vraagt je inderdaad af of hiermee het wezen van de creativiteit wel getroffen is. Aan de andere kant gaat wat Marc & Marc daar tegenover stellen, namelijk de (potentieel) vernietigende kracht van creativiteit, mij dan weer een stap te ver. Ik wil wel toegeven dat creativiteit vernietigend kan zijn, maar ik zie niet in dat dit noodzakelijk is, of zelfs op de een of andere manier tot het wezen van creativiteit behoort. De meeste creativiteit is helemaal niet zo vernietigend. Door de nadruk te leggen op die mogelijkheid van vernietiging trek je het begrip uit het lood, omdat je suggereert dat creativiteit zonder vernietiging maar een inferieur aftreksel is.

Als je mensen ondervraagt naar de associaties die ze bij het begrip ‘creativiteit’ hebben (dat is in onderzoek wel gedaan), dan eindigen begrippen als ‘innovatie’ of ‘originaliteit’ steevast bovenaan. In onze perceptie van creativiteit spelen die dus een belangrijke rol. ‘Vernietiging’, of iets dat daarbij in de buurt komt, staat daar niet bij. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat het niet tot het wezen zou kunnen behoren, maar het zit in elk geval niet in ons collectieve beeld van creativiteit.

Maar wat is creativiteit dan wel? Het meeste onderzoek daarnaar concentreert zich niet zozeer op een of andere hypothetische eigenschap, maar op de noodzakelijke ingrediënten van een ‘creatief proces’. Wat is er noodzakelijk om van een creatief proces te kunnen spreken? Daarvoor moet allereerst aan ten minste drie voorwaarden voldaan zijn.

Ten eerste moet er sprake zijn van een zekere trigger: dat kan een concreet probleem zijn, of een behoefte, als het maar iets is wat mensen op de een of andere manier irriteert. Vervolgens moet het niet al te gemakkelijk zijn om die problematiek weg te werken. Het in een zeepkist over een rechte weg van een berg af suizen kun je niet echt een creatief proces noemen. Als de weg bezaaid is met rotsblokken komt het meer in de buurt, maar zelfs dan kun je het idee hebben dat je met vaardigheden die je kunt aanleren (stuurmanskunst) een eind komt. Het oplossen van een probleem volgens een vastomlijnd stappenplan is geen creatief proces. Er moet een bepaalde weerstand of belemmering zijn, waarvan niet op voorhand duidelijk is hoe die weggenomen of omzeild moet worden. Hier zit al iets van die originaliteit of innovativiteit die bij creativiteit hoort. Het is mogelijk dat geweld als creatieve oplossing gebruikt wordt (we blazen de rotsblokken gewoon op, we hakken de Gordiaanse knoop gewoon door), maar nodig is dat niet. Het lijkt wezenlijker dat de oplossing door een publiek als een mooie oplossing geapprecieerd wordt.

En daarmee is meteen de derde noodzakelijke voorwaarde voor een creatief proces genoemd: er moet een publiek zijn dat de wijze van oplossen én het eindresultaat toejuicht. Marc van Oostendorp noemde als voorbeeld de kleuter die een kleurplaat moet maken en in plaats daarvan de viltstiften ombuigt om er een stoeltje van te knutselen. Om dat als creativiteit te zien moet er echt iemand zijn die zegt “Wow, dat is leuk bedacht!” Als diezelfde kleuter van die viltstiften een wapen knutselt waarmee hij een klasgenootje een oog uitsteekt wordt het ineens een stuk minder creatief.

Een trigger, een toegejuichte inspanning waarmee weerstand wordt overwonnen, en een geapprecieerd resultaat, dat zijn de wezenlijke ingrediënten van een creatief proces, of het nu de context van het onderwijs, de wetenschap of het dagelijkse leven betreft. Als je ’s avonds laat thuiskomt en je hebt nauwelijks eten in huis, en je weet met schaarse middelen iets lekkers op tafel te zetten is dat echt wel creatief. Er was een probleem, je kon het niet oplossen met vooraf bekende stappen, en je (of een huisgenoot) was er tevreden over.

Dat zijn dus de ingrediënten voor het creatieve proces, die in stripverhaaltaal zouden kunnen worden uitgedrukt met de titel van dit stukje. Maar wat heb je zelf nodig om creatief te zijn? In elk geval kennis, en ervaring helpt ook. Je moet strategieën kennen, of oplossingen voor soortgelijke problemen in het verleden, of theoretische kennis over de weerstand die er in de weg zit. En je moet niet vast zitten in het idee dat er maar één weg is  (juist dan kan alleen de gedachte aan vernietiging bij je opkomen).

Ten slotte toch even terug naar dat onderwijs. Als je deze ingrediënten voor het creatieve proces bekijkt, dan lijkt de boodschap voor het onderwijs vooral te zijn: weg met de stappenplannen, de trucjes en de ezelsbruggetjes, en weg ook met de angst voor onzekerheden en de vragen met maar één goed antwoord. Om het creatieve proces te stimuleren moeten leerlingen met echte triggers geconfronteerd worden (problemen die ze zelf als irritant kunnen ervaren), en kennis aangereikt krijgen waarmee ze zelf originele oplossingen kunnen bedenken. Ze moeten niet bang zijn om nieuwe wegen in te slaan of buiten de kaders te treden die ze denken te zien. En ze moeten een publiek voor ogen hebben dat een onverwachte oplossing kan appreciëren.