Gespreksnormen: van alledag tot debat

Door Lucas Seuren

Eerder schreef ik een kort stukje over de normen van nieuwe media, met name Tinder. De reactie die ik kreeg merkte terecht op dat veel van de gespreksnormen die ik noemde helemaal niet zo duidelijk naar voren komt in politeke debatten in politiek Den Haag: “Van luisteren naar elkaar is geen enkele sprake, meer van het willen overtuigen van het eigen gelijk en dat niet alleen willen hebben, maar willen krijgen.” Mijn leekobservatie is dat dit altijd klopt, en niet alleen in politiek Den Haag; ik herinner me goed hoe Donald Trump in de debatten door Hillary Clinton heen praatte, en tijdens de debatten die ik zag bij de voorlaatste verkiezingen in Groot-Brittanië was het niet beter gesteld. Dit roept natuurlijk de vraag op: wat zijn nu eigenlijk de normen in een gesprek?

Beurtwisseling

Als we kijken naar hoe mensen alledaagse gesprekken organiseren, dan kan je daar natuurlijk heel veel over zeggen en er zijn meer normen dan ik in een kort stukje kan benoemen. Wat onder andere opvalt is dat mensen (a) zelden tegelijkertijd praten en (b) er weinig stiltes zijn. Hoe kan dat? Dat vereist enige vaardigheid van gespreksdeelnemers; het laat zien dat mensen met elkaar kunnen afstemmen wie wanneer mag praten, zonder dat we daar een debatleider of voorzitter voor nodig hebben.

Dit systeem werd in 1974 door Sacks, Schegloff, en Jefferson beschreven als het beurtwisselingssysteem voor conversations, waarmee ze conversation als een specifiek soort speech exchange system beschouwen, anders dus dan bijvoorbeeld politieke debatten, rechtbankondervragingen, of nieuwsinterviews. Binnen dit systeem zijn er verschillende manieren waarop deelnemers regelen wie mag praten en die worden toegepast op elk moment dat een spreker een beurt heeft voltooid en beurtoverdracht dus kan plaatsvinden.

  1. Spreker A kan spreker B selecteren om de volgende beurt te produceren;
  2. Als spreker A niemand heeft geselecteerd, mag B (of iemand anders) de beurt claimen;
  3. Als spreker A niemand heeft geselecteerd, en niemand anders claimt de beurt, mag A de beurt claimen.

Het lijken simpele, en tegelijk wat abstracte regels, maar ze geven goed weer hoe beurtwisseling werkt in gewone gesprekken. De eerste regel wordt bijvoorbeeld gebruikt bij vragen, uitnodigingen, of eerste begroetingen: B is dan geselecteerd om antwoord te geven of terug te groeten. Na zo’n antwoord treedt 2 of 3 in werking. Denk bijvoorbeeld aan een uitwisseling van begroetingen: als B teruggroet, dan selecteert B daarmee niet A om ook weer te groeten. Anders is het einde zoek. A heeft wel het eerste recht om de beurt te claimen en kan bijvoorbeeld zeggen zoals hoe gaat het? (regel 2), maar als A dat niet doet, mag B dat ook doen (regel 3).

Op elk moment dat een beurt mogelijk compleet is, kan er dus beurtwisseling plaatsvinden. Hierbij heeft B ofwel op basis van regel 1, dan wel op basis van regel 2 het meeste recht op de beurt. Maar dit geldt dus alleen voor alledaagse gesprekken. De spelregels veranderen, zodra we de situatie veranderen.

Debat

Laten we nu kijken naar een debat zoals bij Nieuwsuur: twee mensen die zijn uitgenodigd omdat ze verschillende standpunten hebben, met één debatleider die al een soort rechter mag bepalen wie wanneer aan het woord is. (Het woord mag in de vorige zin is cruciaal: debatleiders kunnen het ook aan de deelnemers overlaten, en ingrijpen als het echt mis gaat.) Een debat wordt hierbij geïnitieerd door de debatleider die een stelling of of vraag voorlegt aan A of B, en dus een volgende spreker selecteert.

Vanaf dit moment krijgen we te maken met een soort prisoner’s dilemma, denk ik althans. Beide participanten willen hun zegje kunnen doen, maar als A ruimte laat voor B en B niet voor A, dan heeft A een probleem, en vice versa. Zolang de debatleider schendingen bestraft is dat geen probleem, maar als de debatleider ruimte geeft voor interrupties, dan worden die interrupties dus een minder risicovolle strategie dan de ander laten uitpraten. Er zijn dus nog wel beurtwisselingsregels, maar waar in een normaal gesprek A en B elkaar aan die regels houden, is dat nu aan de debatleider en schendingen worden dus niet langer per se bestraft.

Utopie

In een ideale situatie zouden A en B ook zelf de regels handhaven en elkaar de ruimte geven om uit te praten. Hun beider standpunten komen immers beter naar voren als ze hoorbaar zijn, en daarmee bereiken ze dus dat de kijker of luisteraar hun volledige standpunt en argumentatie kan horen.

Bovendien is het ergerlijk om te luisteren naar twee politici die onze belangen moeten behartigen, maar blind door de overtuiging van hun eigen gelijk vooral ruziemaken. (Ik begeef me nu wat meer op het vlak van mijn persoonlijke mening.) Als we de normen willen herstellen kunnen we dus wat doen aan symptoombestrijding: een debatleider die geen overlap duldt. We kunne ook proberen de samenleving wat te veranderen, zodat mensen respect hebben voor elkaars mening ook al zijn we in conflict, maar dat lijkt me op dit moment utopisch.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.

1 Response to Gespreksnormen: van alledag tot debat

  1. Rob Duijf schreef:

    “We kunnen ook proberen de samenleving wat te veranderen, zodat mensen respect hebben voor elkaars mening ook al zijn we in conflict, maar dat lijkt me op dit moment utopisch.’

    Dat is ook utopisch. Toch is dat precies waar we voortdurend mee bezig zijn: het veranderen van de samenleving, ongeacht vanuit welk standpunt dat wordt gedaan. Er is in onze samenleving niets makkelijker, dan beginnen bij de ander die zich moet aanpassen naar onze ideeën.

    Maar de samenleving, dat zijn wij. U en ik dus. Als er ergens iets moet veranderen, dan ligt die verandering in onszelf besloten. Daarom is het zo belangrijk dat ouders, onderwijzers, leraren en opvoeders de vraag of het mogelijk is de samenleving te veranderen bij zichzelf neerleggen.

    Wij zijn daarin niet beter of slechter dan een ander. In een onderwijssituatie bijvoorbeeld maakt een leerkracht deel uit van hetzelfde leerproces. Dat stelt dus hoge eisen aan de kwaliteit van onszelf. Dat is geen kwestie van autoriteit, maar van het vermogen om samen op zelfonderzoek uit te gaan.

    Wat er wel voor nodig is, is het inzicht dat de manier waarop we nu met elkaar en met de wereld omgaan niet werkt. Er ligt een zeer dwingende vraag voor: kan het anders en kan dat nu? Wie anders dan wij kunnen en moeten die vraag beantwoorden?

Reacties zijn gesloten.