Arjan Peters wordt treurig van kinderengels

Door Marc van Oostendorp

Arjan Peters hoeft een bijeenkomst niet te hebben bezocht om te weten hoe het eraan toegaat. Hij hoeft een artikel niet te hebben gelezen om het vreselijk slecht geschreven te vinden.

Arjan Peters heeft een column in de Volkskrant. In die column schreef hij afgelopen vrijdag over de prijs die de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde aan een aantal jonge onderzoekers heeft uitgereikt voor het beste literatuurwetenschappelijke artikel van de afgelopen jaren:

Wat een treurigheid, dat een Nederlands instituut een Nederlandse prijs voor een artikel over Nederlandse literatuur geeft aan een in kinderengels geschreven stuk, dat door geen buitenlander gelezen zal worden.

Dat ‘kinderengels’ adstrueert Peters niet in zijn stuk; hij stelt het alleen maar. Het valt ook niet te adstrueren, want er is niets kinderlijks aan de tekst van het prijswinnende artikel, Mapping the Demographic Landscape of Characters in Recent Dutch Prose: A Quantitative Approach to Literary Representation. Jullie kunnen dat zelf controleren, want het artikel staat gratis online. Peters had het ook zelf kunnen lezen voor hij zijn gemeenplaats naar voren bracht, maar dat heeft hij niet gedaan.

Dat het ‘door geen buitenlander gelezen zal worden’ wordt door Peters ook al niet beargumenteerd. Dat hoort bij de stijl van de Volkskrant: als het over taal of literatuur gaat, hoeft er niks te worden uitgezocht. 

Samenvatting

Ook verder staat het heel korte stukje dan ook vol met lukrake opmerkingen zonder respect voor feiten. Zo meldt Peters dat men elkaar bij de borrel van de Maatschappij op de schouders sloeg. Anders dan hij, was ik daar de hele tijd. Ik heb geen schouderslag gezien.

Als hij wel aanwezig was geweest had hij trouwens ook niet de volgende samenvatting van het artikel hoeven geven. Zelfs al had hij het niet gelezen, dan had hij tenminste ter plekke meer over dat artikel kunnen leren want het werd heel goed (in het Nederlands) gepresenteerd door de winnaars:

 In 22 pagina’s melden de academici dat ze 170 Nederlandstalige romans hebben gelezen, en dat daarin 1.176 personages voorkomen. En wat denk je? Blanke westerse mannelijke auteurs schrijven vaak vanuit blanke westerse mannen, blanke westerse vrouwelijke meer vanuit blanke westerse vrouwen. Personages van niet-Nederlandse afkomst zijn in de minderheid. Of er een verband is tussen schrijvers en personages, durven de wetenschappers niet te zeggen. ‘This is only speculation.’ Tel uit je winst, zijnde € 750, volgens de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde.

Het is waar dat al deze dingen in het artikel staan, maar Peters suggereert dat deze passage een samenvatting is, terwijl het slechts een paar van de bevindingen bevat, en dan nog de minst interessante.

Inbeuken

Een veel treffender, tijdens de bijeenkomst genoemd, resultaat dan het genoemde vind ik dat het meest voorkomende beroep van vrouwelijke personages in deze romans ‘prostituée’ is, en dat van mannen ‘ondernemer’. Je kunt erover discussiëren wat dat precies betekent en of je daar verder iets mee moet doen, maar zo’n bevinding vertelt ons natuurlijk wel degelijk iets over de preoccupaties van de literatuur in het jaar 2013. Je kunt er een soort sociologie van het romanpersonage mee bedrijven.

Die 170 romans stonden allemaal op de ‘bulklijst’ van de Libris-prijs in 2013; ze vormen dus in die zin een representatieve steekproef. Het is precies die vernieuwende methode die bekroond werd met die prijs en die ook de reden is dat je zou hopen dat buitenlanders de tekst ook beter lezen dan Peters. Die methode zorgt ervoor dat de literatuurwetenschapper, enerzijds, niet gebonden is aan de interpretatie van het werk van één auteur en diens idiosyncratieën, en zich anderzijds niet zijn toevlucht hoeft te nemen tot sociologische categorieën die weinig met literaire kunst te maken hebben (wat is de sociale klasse van de gemiddelde auteur).

Wat beweegt iemand om zo’n stukje te schrijven al is het dan ook maar in de Volkskrant? Peters is niet op de bijeenkomst geweest, hij heeft het artikel niet gelezen, maar toch wil hij even inbeuken op de literatuurwetenschap? Want inbeuken op de literatuurwetenschap, dat doet het altijd goed? En dan doen journalistieke normen (zoals de bijeenkomsten bezoeken waarover je verslag uitbrengt en de artikelen lezen die je bespreekt) er niet meer toe?

In het kader van de totale openheid: ik ben sinds kort bestuurslid van de door Peters gewraakte Maatschappij der Nederlandse Letterkunde.