Zielsverwanten

Door Nelleke Noordervliet

Hij zit te wachten op het terras van De Brakke Grond, waar destijds de Vleeshal stond met erboven de zaal van de rederijkerskamer d’Eglantier. Nu officieel het Vlaams Cultureel Centrum. Grappig, als ik denk aan de Spaanse Brabander. Gevalletje van perfecte integratie. Het is er van een zelfde levendigheid als aan het begin van de zeventiende eeuw. Veel volk, alles op menselijke maat en intiem. Het toeristische gewoel van de Wallen en de Dam is hier gedempt. Ik ga naast hem zitten.

‘Hier begon het, is het niet?’

Hij kijkt om zich heen, op zoek naar punten van herkenning.  Dan is het of zijn blik zich naar binnen keert. ‘Ach mijn God, ik weet nog goed hoe ik beefde, toen ik me voor het eerst tot de roemrijke leden van de Eglantier richtte. Het was een soort examen. Bracht ik het er goed van af mocht ik blijven. Verprutste ik het, dan was het gedaan. Ging ik het ook nog hebben over het juiste gebruik van de moedertaal. Bewaar de rijkdom van het Nederlandsch! Verdedig de taal tegen de buitenlandse indringers. Ik, doodgewone Amsterdammer, die nauwelijks Frans kende. Latijn was mij geheel vreemd. Het was een pleidooi niet voor rijkdom maar voor eenvoud, ja, voor de rijkdom van de eenvoud, de volkstaal, het eigene, de woorden van het hart. Het was een riskante aanval op de pseudo-geleerdheid, de inhoudsloze eruditie, de gekunsteldheid van veel van de heren die daar zaten. Gelukkig was ik niet de eerste noch de enige die zich beklaagde, maar toch: ik was een parvenu.’

‘Voelde je dat echt zo? Was je timide of uit verlegenheid juist brutaal?’ Ik denk intussen aan de Ewige Widerkehr des Gleichen: ook nu moet de moedertaal zich verweren tegen indringers.

‘Ik heb mezelf een beetje overschreeuwd,’ zegt Gerbrand, ‘maar ik kwam niet met lege handen. Mijn naam werd vaak genoemd en mijn werk werd geciteerd. Ik had wel iets om me op te beroemen.’

‘Keek je tegen hen op?’

‘Ik was me bewust van het verschil in achtergrond en status, en ik wist dat zij zich daar misschien nog meer van bewust waren. Maar keek ik goed naar de mens achter de sociale facade, dan bleef er weinig over van het onderscheid. Dat neemt niet weg dat ik opkeek tegen de mannen die ik uiteindelijk mijn vrienden durfde te noemen: Hooft, Coster, De Groot, Heinsius. Ja, dat waren reuzen.’

‘Moest je je bewijzen?’

‘Dat gevoel heb ik altijd gehouden. Ik liep achter. Er ontbrak van alles aan mijn kennis.’

‘Maar dat was juist het soort pseudo-kennis, waartegen je protesteerde!’

‘En dus had ik de schijn van afgunst tegen me. Ik had die echte kennis best willen hebben, de vanzelfsprekende kennis die je met de paplepel binnenkrijgt, waarmee je opgroeit. Helaas, nooit meer in te halen.’

Ik protesteer, maar ik weet precies wat hij bedoelt. Ik ken het. Mijn ouders waren eenvoudige mensen met alleen lagere school. Die vanzelfsprekende culturele cocon waarin anderen rijpten had ook mij ontbroken. ‘Toch, Gerbrand, alles wat je zelf verovert met inspanning en liefde is meer waard dan een rijke wieg.’

‘Jazeker. Het is goed beide werelden te kennen en geen onderscheid maken tussen mensen om afkomst. Wie ze zijn in hun ziel, daar gaat het om.’

‘Was Hooft je soul-mate, je zielsverwant?’

Dan begint Bredero te lachen. Te schateren. Zo ken ik hem weer. 

Dit blog verscheen eerder op Bredero 2018.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter