Taalvermogen, taalsysteem, en taalgebruik

Door Lucas Seuren

Aan het begin van mijn promotie ging ik voor een studieverblijf naar York; ik wilde meer leren over klankleer en de rol die het heeft in taalgebruik. Ik werkte daar samen met dr. Traci Walker, een vooraanstaand interactioneel taalkundige, met andere woorden, iemand die bestudeert hoe taalstructuren in taalgebruik worden vormgegeven en betekenis krijgen. Tijdens ons eerste koffiegesprek hadden we het kort over mijn masterscriptie: ze kon er met haar hoofd niet bij hoe ik generatief taalkundig onderzoek en interactioneel taalkundig onderzoek naast elkaar kon doen. De eerste aanpak, gestart door Noam Chomsky in de vorige eeuw, was wat haar betreft onverenigbaar met een interactionele blik op taal.

Tegen het eind van mijn promotie begon ik haar standpunt te begrijpen. Ik zag ook niet in hoe talige structuren als geheel in ons brein gevormd konden worden, aangezien we ze vaak maar half produceren en probleemloos aanpassen. Natuurlijk heeft taal structuur, maar het model dat nodig was voor taal vanuit het generatieve systeem zoals ik begreep, botste fundamenteel met taalgebruik. En hoewel het natuurlijk verschillende domeinen zijn van een breder taalsysteem, moeten ze natuurlijk wel met elkaar verenigbaar blijven.

Onbegrip

Maar het probleem is wellicht helemaal niet dat generatieve grammatica onverenigbaar is met een interactionele blik op taal. Het probleem is dat de disciplines elkaar niet goed begrijpen. De discussie tussen generatief en interactioneel gaat terug tot zeker de jaren 80. In deze periode ontwikkelde de Amerikaanse taalkundige Paul Hopper wat hij Emergent Grammar noemde; taalstructuren waren volgens hem niet gegeven, maar ontstonden door taalproductie. Er is geen set regels die vastlegt hoe bijvoorbeeld het Nederlands eruit ziet en ons taalgevoel is niks meer dan een resultaat van regelmatige, gelijksoortige input.

In zijn extreme vorm stelt deze theorie dat structuur slechts een illusie is. Dit is een theorie die binnen de interactionele taalkunde veel aanhang heeft, al zijn de meeste mensen niet zo radicaal. Maar allemaal hangen ze een grammatica aan die in gesprekken tot stand wordt gebracht. Emanuel Schegloff formuleerde het als volgt: een grammatica voor taalhandelingen is anders dan een grammatica voor proposities.

Maar in de tussentijd is er veel veranderd. Het Minimalist Program (MP) deed zijn intrede in de generatieve grammatica. Ik had er nooit zo bij stil gestaan, maar dankzij een blog van vooraanstaand generativist Norbert Hornstein realiseerde ik met dat die aanpak mogelijk best goed te verenigen is met een interactionele blik op taal.

Universeel

Hornstein begint weer bij het begin. Het fundament van generatieve grammatica (GG) wordt gevormd door twee feiten: (1) moedertaalsprekers zijn productief in hun taal, en (2) elk mens kan elke taal leren (uitgaande van mensen zonder cognitieve beperkingen). Uit (1) en (2) kun je afleiden dat er een beperkte set regels, of procedures, is waarmee we taal vormgeven—anders zou er een limiet zijn aan wat we met taal kunnen doen, en zouden kinderen taal niet eenvoudig kunnen leren—en dat die regels niet verschillen tussen talen. Kortom, er is een onderliggend cognitief systeem voor taal, dat elk mens heeft, en dus universeel is: universele grammatica (UG).

Je kunt wat muggenziften over de formuleringen—en ik formuleer het ongetwijfeld niet accuraat, maar zie recente posts van Riny Huijbrechts (hier en hier)—maar het lijkt me gek om het hiermee oneens te zijn. Mensen produceren taal, dus we delen iets in ons brein dat dat mogelijk maakt. Maar hier gaat het al mis. Menig niet-generatief taalkundige begrijpt UG als een gedetailleerde set regels die wordt gevisualiseerd met allerlei abstracte boomstructuren, waarin semantische en functionele categorieën door elkaar heen bewegen, en die leidt tot zinsstructuren die we via andere modules (semantiek, fonetiek) tot spraak omzetten. Die visie is inderdaad fundamenteel onverenigbaar met een interactionele taalkunde, maar die visie is niet wat UG is. Beide kampen dragen schuld voor dit misverstand, maar het maakt communicatie er natuurlijk neit gemakkelijker op.

Cognitief

Volgens Hornstein is het idee van Chomsky achter het MP om te bepalen wat nu precies de cognitieve kant is van taal. Die cognitie moet natuurlijk wel resulteren in regels en structuren die taalspecifiek zijn, dat wil zeggen, UG moet verenigbaar zijn met de specifieke structuur van elke taal in de wereld. Maar het gaat om de vraag welke abstracte operaties nodig zijn om die structuren te vormen.

Je kunt het misschien als volgt begrijpen. Als je drie verschillende planeten hebt, met elk hun eigen atmosfeer en eigen gravitatiekracht, dan heeft dat invloed op wat je waarneemt. Een pak melk zal op planeet A misschien sneller vallen dan op planeet B. En wie gaat fietsen komt moeizamer vooruit op planeet C dan op planeet B. Je kunt voor elke planeet formules opstellen en die kunnen alles verklaren op planeet A, B, en C. Maar wat Chomsky wil weten is, wat zijn de natuurwetten die ons die specifieke formules geven.

Ik kan geen reden noemen waarom een interactioneel taalkundige deze onderneming bij voorbaat zou willen afschieten. We komen ongetwijfeld tot andere conclusies over wat de noodzakelijke operaties zijn. Maar een visie die een beperkte interne structuur van taal aanhangt, is natuurlijk prima te verenigen met een idee van een minimale universele grammatica. Uiteindelijk is spraak de uitput, en hoezeer ik ook een visie heb op het gesprek als de natuurlijke plek van en voor taal—wat dan weer wel een fundamenteel discussiepunt is—zonder brein kunnen we geen taal produceren.

Eilanden

Op korte termijn zie ik de visies overigens niet nader tot elkaar komen. Niet alleen vanwege de misverstanden die nu eenmaal heersen tussen de disciplines, maar ook omdat de interesses zo fundamenteel verschillen. Je kunt prima geïnteresseerd zijn in hoe taalstructuren in gesprekken gerealiseerd en begrepen worden, zonder enig inzicht te hebben in de cognitie achter taal, en vice versa. De disciplines zouden dus probleemloos naast elkaar moeten kunnen bestaan, ze bieden verschillende maar net zo belangrijke inzichten in taal; en wie weet, straks leren we per ongeluk nog iets van elkaar.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.

2 reacties op Taalvermogen, taalsysteem, en taalgebruik

  1. msvandermeulen schreef:

    Dank, interessant stuk! Fijn constructief ingestoken. Hoe ik het begreep (maar ik zit niet diep in de materie, vergeef me dus mijn naïeve kijk op de zaak) is dat de ‘language faculty’ ook nog een struikelblok is. Dus of er iets in het brein speciaal voor taal is, of dat taal een weliswaar een bijzonder fenomeen is, maar in principe voortkomt uit andere cognitieve mechanismen. Maar misschien is het ook hier mogelijk om te zeggen: deels het een, deels het ander?

  2. Het probleem zit minstens voor een deel in essentialisme: taal moet één ding zijn, er moet één aspect zijn van taal dat uiteindelijk alles verklaart, of ook: er moet één menselijke eigenschap zijn (een aangeboren grammatica, een bepaald type interactioneel gedrag) dat de uiteindelijke verklaring biedt. Maar als het ene de unieke verklaring is, kan het andere dat niet zijn.

    Je raakt van dat essentialisme ook niet zo gemakkelijk af, want vloeit voort uit een heel valide wetenschappelijke methode, namelijk dat je zuinig wilt zijn met je verklaringen. In de wetenschap geldt het als minder gelukkig als je een verschijnsel op meer dan één manier kunt verklaren – een gegeneraliseerde versie van het scheermes van Ockham.

    Tegelijkertijd werkt het in de biologie natuurlijk niet altijd zo. Als we even aannemen dat taal een unieke eigenschap is van de mens, dan kunnen we bijvoorbeeld observeren dat de duim van de mens beter tegenover de andere vingers kan worden geplaatst dan in andere mensapen. Het is heel moeilijk om één verklaring te vinden voor die twee verschijnselen en dan zijn mensen dus al op meer dan één manier uniek.

    Mij lijkt de beste strategie eigenlijk dat een aantal redelijke hypotheses tegelijkertijd worden uitgevoerd, bijvoorbeeld interactionisme en generativisme. Uiteindelijk zou dan moeten blijken ófwel dat de twee een duidelijke werkverdeling hebben (verschijnselen x en y kunnen interactionistisch worden verklaard, verschijnselen a en b generatief) of dat uiteindelijk alle verklaringen uit de ene hoek gereduceerd kunnen worden tot verklaringen uit de andere hoek. Op dit moment is er weinig zicht op welk van die strategieën het beste werkt, misschien zijn de bestaande theorieën uit beide hoeken daarvoor nog niet rijp genoeg.

Laat een reactie achter