’t Dialectenbureau (en ik), afl. 18

Meertens Instituut gered

Door Jan Stroop

Begin 1996 verscheen ’t eerste deel van de romanserie Het Bureau van J.J. Voskuil. Dat had al meteen een overweldigend succes. Van dat eerste deel werden er volgens de uitgever in minder dan 3 weken al 5000 exemplaren verkocht. Er volgden herdrukken. Bij elk nieuw deel nam dat succes telkens toe.

Door dat succes bleef ’t echte Bureau niet buitenspel. Eerst  waren de reacties nog neutraal: een fascinerend boek, groot stilist, geestig, enzovoorts, maar gaandeweg werden ook ’t P.J. Meertens Instituut en zijn medewerkers erin betrokken en werd er geoordeeld over ’t werk dat daar verricht werd. En dat viel niet mee.

Door de manier waarop Voskuil zijn eigen werkzaamheden presenteerde en ’t onderzoek op de afdeling Volkskunde beschreef, ontstond er een heel negatief beeld van ’t Instituut. Recensenten en ingezonden briefschrijvers maakten zich vrolijk om onderzoek naar bijvoorbeeld de nageboorte van ’t paard en ’t geloof in kabouters. Een ingezonden brief in NRC Handelsblad van 8 juli 1997 geeft de algemene opinie aardig weer:

“Ik geloof dat Voskuil wel degelijk ‘verantwoordelijk’ zou kunnen worden gesteld voor het opheffen van het Meertens-instituut. Waarmee ik niet wil zeggen dat er in deze een juridische schuld zou bestaan. Ik denk dat hij er niet rouwig om zou zijn als het instituut zou verdwijnen.

Ik weet zeker dat ik er niet rouwig om zou zijn. Nooit heb ik een voet in dat instituut gezet, maar ik geloof niet dat er iemand, behalve de medewerkers van het instituut zelf, zelfs maar een haar beter is geworden van wat daar allemaal wordt uitgevoerd. De zinloosheid en totale overbodigheid van dat wordt in Het Bureau nu juist zo feilloos getoond.”  (NRC Handelsblad, 8 juli 1997)

Ik heb op die brief gereageerd (een citaat: “Wat is het verschil tussen een boek over bepaalde gebruiken bij de Eskimo’s of de oorspronkelijke bewoners van Nieuw Guinea en een studie over wat men hier sinds mensenheugenis deed met de nageboorte van het paard?”) in NRC Handelsblad, 15 juli 1997.  Maar de negatieve stemming veranderde er natuurlijk niet door. Die stemming werd intussen juist steeds somberder.

Van sommige medewerkers begon zich een soort paniek meester te maken, wat nog erger werd door berichten als ’t lange artikel in de NRC van 16 mei 1997, “Onrust op instituut door romans Voskuil”. Daarin stond dat de afdeling Volkskunde mogelijk opgeheven zou worden. De medewerkers van die afdeling beweerden dat directeur Van Marle het slechte imago dat Volkskunde door Het Bureau had gekregen als argument gebruikte. Wat hij ontkende.

Ondertussen werd steeds duidelijker dat ’t niet boterde tussen de directeur en de afdeling Volkskunde. Er werd beweerd dat ze niet meer met elkaar praatten. Er ontstonden partijen binnen het instituut,  vóór of tegen de directeur.

Dat alles begon de directie van de Koninklijke Akademie, waar ’t Instituut onder ressorteerde, behoorlijk op de zenuwen te werken. Er moest wat gebeuren en er gebeurden vervolgens ook twee dingen.

Het Parool (22 juli 1997:  “Directeur naar huis gestuurd bij Voskuils Meertens-instituut”. “ Sinds begin vorige week staat directeur J. van Marle van het Meertens-instituut op non-actief; officieel is sprake van ‘studieverlof’. Wetenschappelijke redenen vormen echter niet de belangrijkste achtergrond: ‘Enige afkoeling kon geen kwaad,’ laat algemeen directeur Ch. Moen van de Koninklijke Nederlandse Academie (sik!) voor (sic!) Wetenschappen (KNAW) weten.” Aldus Het Parool.

De tweede actie bestond uit de instelling, op 22 juli 1997, van de “Commissie Toekomst P.J. Meertens Instituut KNAW”. Aanleiding voor de instelling was dat “het bestuur het dringend noodzakelijk geacht [heeft] een heldere koers te bepalen voor het Instituut”. Voorzitter van de commissie was Willem Frijhoff, hoogleraar aan de VU. Tot mijn verrassing werd mij gevraagd, naar bleek op voorstel van Frijhoff, om secretaris van die commissie te worden. Ik nam ’t aan, want ’t Instituut lag me nog steeds na aan ’t hart. Ik ging dat secretariaat uitoefenen geassisteerd door Claartje Gimbrère van ’t Bureau van de Akademie.

Eigenlijk gebeurde er nog iets, want Van Marle nam ontslag (de Volkskrant, September 10, 1997, “Directeur van ‘Het Bureau’ houdt het voor gezien”). Dat betekende dat er ook een nieuwe directeur moest komen.

Maar eerst ging de commissie aan de slag. Eerst met de medewerkers van ’t Instituut kregen een aantal vragen te beantwoorden over de eigen afdeling,  doelstellingen, taakverdeling, methodes en nog zowat. Dat deden ze in de vorm van positioneringsnota’s, die gebundeld werden onder de titel Met het oog op de toekomst( 12 september 1997) . Verder werd er advies gevraagd bij zusterinstellingen en aan wetenschappers die op verwante terreinen werkzaam waren.

De commissie is voortvarend te werk gegaan, al zeg ik ’t zelf, want op 13 november was ’t rapport al klaar. Ik heb ’t rapport gestuurd naar ’t bestuur van de Akademie, “dat met grote waardering kennisgenomen [heeft] van het rapport van uw commissie.” (brief 23 december 1997). In een persbericht deden ze er nog een schepje  bovenop en werd ’t rapport gekwalificeerd als “een inspirerende bijdrage aan de verdere ontwikkeling van opdracht en positionering van het PJMI.” De medewerkers van ’t Instituut waren er ook blij mee want ze zagen in ’t rapport de redding van ’t Instituut.

Een belangrijk onderdeel van de aanbevelingen van de commissie was dat de afdelingen als zodanig opgeheven werden. Dat betekende dus ook ’t einde van mijn ‘eigen’ Dialectenbureau.

Eind 1997 verscheen er weer een advertentie in NRC en de Volkskrant voor een nieuwe directeur. Die advertentie zelf heb ik niet terug kunnen vinden.

Begin januari 1998 verliet ’t Instituut ’t pand aan de Keizersgracht en verhuisde ’t naar een gebouwencomplex van de KNAW op een industrieterrein in Duivendrecht, de voormalige Coca Cola-fabriek.

Tenslotte werd ook nog de naam veranderd, van P.J. Meertens Instituut in Meertens Instituut.  En zo stond ’t ook op ’t gebouw.

(wordt vervolgd)

Over Jan Stroop

Jan Stroop is gastonderzoeker bij de capaciteitsgroep Nederlandse taalkunde van de Universiteit van Amsterdam. Van hem verschenen bij Athenaeum: Hun hebben de taal verkwanseld en Die taal, die weet wat . Dit is zijn website.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , . Bookmark de permalink.

3 reacties op ’t Dialectenbureau (en ik), afl. 18

  1. Manfred schreef:

    Het nut van het instituut kan onmogelijk worden uitgelegd zonder eerst het nut van de wetenschap Volkskunde uit te leggen.

  2. Willem Kuiper schreef:

    Had toen de bom barstte een één dag in de week aanstelling bij het P.J. Meertens Instituut voor het redigeren van het Repertorium van Eigennamen in Middelnederlandse Literaire Teksten, en kan mij de paniek en de verontwaardiging nog goed herinneren. Paniek bij de bestuurders omdat hij het vak en het Instituut ridiculiseerde, verontwaardiging bij de medewerkers die door Voskuil herkenbaar geportretteerd waren. Ik heb toen voorgesteld om Voskuil voor te dragen voor een eredoctoraat, met als motivatie dat alleen een briljant volkskundige zo’n boek van een wetenschappelijk bureau kan schrijven. Daar is men helaas niet op ingegaan. Ik was wel benieuwd in welke bochten Voskuil zich zou wringen als hij deze voordracht zou weigeren om zijn geloofwaardigheid overeind te houden. Verreweg de beste reactie vanuit het Instituut was die van naamkundige Rob Rentenaar. Die zette zich ertoe om de namen die de personages in Voskuils geromantiseerde dagboeken gekregen hadden, te herleiden tot de man of vrouw die model gestaan had. Zo heette hij zelf Koos Rentjes in het boek, waarin hij door Voskuil afgeschilderd werd als een seksistische Vlaamse gaai. Het succes van die namenlijst, die werd overgenomen in Neder-L en bijgewerkt naarmate er meer delen verschenen, was even onverwacht als groot. Mij deed Het Bureau denken aan de verhalen van mijn vader onder het avondeten over hoe het er op zijn werkplek, de Amsterdamsche Bank aan het Rembrandtplein, aan toeging. Uit gesprekken met andere lezers maakte ik op dat voor mensen die niet vertrouwd waren met de KNAW, het P.J. Meertens Instituut, kabouters en de nageboorte van het paard, dit de grote charme van het boek was: de waarheidsgetrouwe beschrijving van hoe de werksfeer in die dagen was. Door gesprekken met collega’s van Voskuil kwam ik te weten dat de woorden die hij hen in het boek in de mond legde, inderdaad door hen waren uitgesproken, maar dat Voskuil heel selectief in zijn citaten was. Hij gebruikte alleen maar dat, wat hij nodig had voor zijn beeldvorming. Wat daar niet in paste, liet hij weg. Zo heeft hij menige lezer op het verkeerde been gezet.

Laat een reactie achter