Schoolvak Nederlands onterecht op de schopstoel

Door Helge Bonset

Het schoolvak Nederlands is ontzield en wordt mede daardoor door leerlingen niet gewaardeerd, stelt Theo Witte (Volkskrant, 21 september).

Voor de waardering beroept Witte zich op onderzoek bij havo- en vwo-leerlingen in de bovenbouw. Dat onderzoek is gepubliceerd in Levende Talen Tijdschrift (2018/3, p. 26-36), waarvan ik hoofdredacteur ben. Het is uitgevoerd op acht scholen in Drenthe, Friesland en Groningen, bij 449 leerlingen van havo, vwo en gymnasium, aan wie is gevraagd hoe saai, leuk, interessant, nuttig en moeilijk ze het vak Nederlands vonden. Helaas is dezelfde vraag niet gesteld over andere schoolvakken, zodat we niet weten of Nederlands er negatief uitspringt in vergelijking met andere vakken. Ook is bij de enquêtering een schaal gebruikt zonder neutrale antwoordmogelijkheid. Het artikel van Witte c.s. is geplaatst omwille van de discussie, niet omdat we het een sterk onderzoek vonden. De alarmerende cijfers (79% van de havoleerlingen vindt Nederlands saai, enz.) zijn overigens in het artikel niet terug te vinden.

Nederlands is ontzield, stelt Witte, doordat slechts 15% van de onderwerpen in veelgebruikte bovenbouwboeken betrekking heeft op de neerlandistiek, zoals taalverwerving, taalverlies, retorica. Onderwerpen bij Nederlands zijn het geheugen, geboortecijfers, eetpatronen, e-bikes. Maar teksten, presentaties en discussies bij Nederlands gaan altijd al over algemene discussieonderwerpen. Als leerlingen daarom het vak Nederlands saai, oninteressant enz. zouden vinden, is niet duidelijk waarom dat niet al decennia lang het geval is. Er is ook geen bewijs dat leerlingen Nederlands meer zouden waarderen als dat het karakter krijgt van “een zaakvak zoals aardrijkskunde en geschiedenis, waarin leerlingen naast literatuur ook kennis opdoen over taal en taalgebruik”. Dat in ieder geval docenten weinig zien in Nederlands als zaakvak,doet een peiling van Levende Talen en Nederlands Nu vermoeden: slechts 36% van de havo/vwo-docenten vindt dat de inhoud van examenteksten beperkt zou moeten blijven tot de inhoud van het vak Nederlands.

Ook het centraal examen Nederlands (leesvaardigheid) draagt bij aan de ontzieling. Witte stelt “dat de leerlingen niet de teksten lezen maar de vragen.” Klaarblijkelijk denkt hij dat vragen als “Wat is het tekstdoel?” of “Wat is de kernzin van alinea 5?” door een leerling ook beantwoord kunnen worden zonder de tekst te lezen. Ook merkt Witte op: “Naar de inhoud van de tekst wordt niet gevraagd”. Maar hoe kan een leerling de vraag naar het doel van een tekst beantwoorden zonder de inhoud van die tekst te begrijpen? Dit type vragen toetst leesvaardigheid een niveau hoger dan alleen begrip van de inhoud, namelijk op het niveau van tekstanalyse, een uiterst nuttige vaardigheid voor het vervolgonderwijs. Maar kennelijk hoort tekstanalyse voor Witte niet bij neerlandistiek.

Het ontzielde schoolvak Nederlands heeft rampzalige gevolgen voor de instroom van studenten Nederlands, stelt Witte. Maar ook hier: waarom treden die gevolgen dan nu pas op? Als oorzaken voor de geringe instroom liggen meer voor de hand de toenemende invloed van het Engels in universitaire studies, de toenemende tendens van scholieren om te kiezen voor exacte of technische studies, of de geringe herkenbaarheid van afzonderlijke talenstudies.

De oplossing is volgens Witte dat de neerlandistiek en het schoolvak Nederlands weer meer naar elkaar toe groeien. “ De universitaire neerlandici zouden zich meer moeten realiseren dat de wortels van hun vak in het onderwijs liggen. De docenten Nederlands moeten het gevoel krijgen dat ze onderdeel zijn van de neerlandistiek, de alma mater van hun vak.” Uit zijn stuk blijkt zonneklaar dat dit betekent: meer taalkunde en meer letterkunde in de schoolklas. Misschien zouden sommige universitaire neerlandici zich moeten realiseren dat pogingen om hun eigen agenda op te leggen aan het onderwijs Nederlands, met ondeugdelijke argumenten, voor toenadering tussen neerlandistiek en onderwijs niet erg bevorderlijk zijn.