“Nieuw” Oudnederlands in een Ierse tekst

Door Peter Alexander Kerkhof

(afbeelding uit Stokes 1898: 242)

Lang geleden, in zevende-eeuws Ierland, schreef een monnik twee Oudnederlandse woorden op; blind en auga, blind auga dus. Dit betekent zoveel als “blind van ogen” of “blindogig”, een vrij redundante manier om “blind” te zeggen. De woorden blind en auga zijn te vinden in een vroegmiddeleeuws Iers glossarium, een woordenlijst waarin moeilijke Latijnse woorden werden uitgelegd in de Ierse volkstaal. Maar wacht eens even, zult u zeggen: waarom schreven Ierse monniken eigenlijk Oudnederlandse woorden in die lijst? In deze blogpost wil ik dit uitleggen en op deze manier meer ruchtbaarheid geven aan wat na de Salische Wet één van de oudste sporen van het Nederlands is (cf. Kerkhof 2018: 35).

De gloss blind auga is te vinden in een glossarium dat door de vakgenoten O’Mulconry’s Glossary wordt genoemd. Deze tekst is in vijftiende en zestiende-eeuwse handschriften overgeleverd. De volledige zin luidt:

blinn auga .i. dallsuilech in linga galleorum (O’Mulconry’s Glossary, l. 183)

blind auga, dat is blindogig in de taal van de Galloromeinen

Keltologen gaan er vanuit dat een deel van O’Mulconry’s Glossary in de vroege zevende eeuw ontstaan is (Mac Neill  1932). Het is waarschijnlijk dat de voornoemde zin uit deze oudste zevende-eeuwse laag komt (cf. Herren 2013: 102). De spelling blinn in plaats van blind is waarschijnlijk te wijten aan een Ierssprekende kopiist uit de Late Middeleeuwen, die gewend was <nd> als een dubbel <nn> uit te spreken (dank aan Paulus Van Sluis voor deze aanwijzing). Een andere taalkundige eigenaardigheid is de <a> aan het einde van auga, terwijl we eigenlijk augo in het vroeg-Oudnederlands zouden verwachten. Maar waarschijnlijk kan ook deze <a> aan de Ierse taal worden toegeschreven; een spreker van het Iers sprak immers alle onbeklemtoonde klinkers uit als een stomme e. Verder kunnen we nog opmerken dat de glos blind auga waarschijnlijk opgevat moeten worden als een samenstelling, zodat we dus te maken hebben met één woord dat in de nominatiefnaamval staat (= Vroeg-Oudnederlands blindaugo).

Maar hoe weten we eigenlijk zeker dat we hier met Oudnederlands te maken hebben en niet met Oudhoogduits of Oudnoors? De belangrijkste aanwijzing komt van het glossarium zelf waar de uitdrukking ‘blindogig’ gekarakteriseerd wordt als “in lingua galleorum”, wat zoveel wil zeggen als “in de taal van de Galloromeinen” (Galli was een Klassiek-Latijnse benaming voor de inwoners van het latere Frankrijk). Naar mijn mening zou dat geen voor de hand liggende manier zijn om een vroegmiddeleeuwse Deen of een vroegmiddeleeuwse Angelsaks aan te duiden (maar zie EDIL s.v. dallsuilech). Voor een Oudnederlandsprekende monnik zou de karakterisering “Galloromein” wel logisch zijn, want de Franken woonden in de zevende eeuw in grote delen van Noord-Frankrijk. Deze Franken waren toen hoogstwaarschijnlijk tweetalig, en konden zowel Galloromaans, een voorouder van het Frans, als Oudnederlands spreken.

En hoe is er dan Oudnederlands in een Iers handschrift terecht gekomen? Volgens Herren (2013) heeft dat te maken met de banden tussen Ierland en het Merovingische Frankenrijk. In de zevende eeuw reisden veel Ierse monniken naar het continent om in Frankische kloosters spirituele verlichting te zoeken. Andersom bezochten Frankische geestelijken en edelen vaak Ierland; De beroemdste van de Frankische bezoekers was de Merovingische koningszoon Dagobert de Tweede, die als vijfjarige naar Ierland vluchtte toen zijn adoptiebroer Childebert in 656 nChr. op de troon werd gezet. Ook de Frankische geestelijke Agilbert, die later bisschop in Angelsaksisch Engeland werd, is een mooi voorbeeld van een andere Frankische expat in vroegmiddeleeuws Ierland. Bovendien moeten we ons realiseren dat hooggeplaatste Franken zonder twijfel met een uitgebreid gevolg reisden, een gevolg van mensen die veelal dezelfde taal spraken. De Oudnederlandse woorden in het Ierse glossarium zouden dus een spoor zijn van deze Frans-Nederlandse ‘expats’ uit de zevende eeuw.

Laten we ten slotte even stil staan bij wat deze glos toevoegt aan onze kennis over het Oudnederlands. Er is in de wetenschap veel gediscussieerd over hoe lang de Frankische bovenklasse in het Merovingische rijk nog Oudnederlands zou hebben gesproken voordat ze overstapten op ééntaligheid in het Galloromaans. Als toevoeging aan dit debat beweer ik in mijn proefschrift (Kerkhof 2018: 36-37) dat de Oudnederlandse vormen voor de Franse plaatsnamen Parijs (Persa), Amiens (Embenum) en Condé (Cundoth) een aanwijzing zouden zijn dat het Oudfrankisch een belangrijke taal was in Merovingisch Noord-Frankrijk. Maar aangezien deze plaatsnamen uit een negende-eeuwse Engelse kroniek komen, is de ouderdom van deze naamsvormen onduidelijk. De Oudnederlandse ‘blindogig’ glos daarentegen zou een klein stukje bewijs leveren dat de Frankische bovenklasse nog in de zevende eeuw Oudnederlands sprak. Onverwachte informatie uit een Iers klooster!

Bibliografie

EDIL = Electronic Dictionary of the Irish Language, consulted at URL: http://www.dil.ie/

Herren, Michael W, “The Cena Adamnani or Seventh-Century Table Talk,” Mary Garrison, Arpad P. Orbán & Marco Mostert (eds.), in: Spoken and Written Language; relations between Latin and vernacular languages in the earlier middle ages (2013), Turnhout, 101-112.

Kerkhof, Peter Alexander, Language, Law and Loanwords in Early Medieval Gaul; Language contact and studies in Gallo-Romance phonology, PhD-dissertatie (2018), Leiden.

Mac Neill, Eoin, “‘De origine Scoticae linguae’”, Ériu 11 (1932), 112–129.

Stokes, Whitley, “O’Mulconry’s glossary”, Archiv für celtische Lexikographie 1 (1900), 232–324.