Literatuur leven

Mirjam van Hengel portretteert Remco Campert

Door Wiel Kusters

Het bijna 600 bladzijden tellende boek dat Mirjam van Hengel over de nu negenentachtigjarige Remco Campert schreef, Een knipperend ogenblik, heet in de ondertitel een ‘portret’ en wordt dus niet gepresenteerd als biografie. Dat wordt in het korte voorwoord verantwoord als de keuze voor het vertellen van een ‘verhaal’ waarvan de maker zich ‘zij het niet aan de waarheid dan toch aan de werkelijkheid’ van Camperts leven en werk verplicht voelt. Met die instelling begeeft de schrijfster zich naar eigen zeggen noch op het terrein van de feiten noch op dat van de fictie, maar wijst zij het ‘interpreteren’ aan als haar benaderingswijze. Daarmee spreekt ze zich dan meteen ook uit tegen ‘de Nederlandse schrijversbiografie’, die ‘die over het algemeen de kant kiest van het graniet’, de onweerlegbare feiten, en geeft ze aan, ook recht te willen doen aan de ‘gevoelens’ van haar personage. Ze motiveert dit mede met behulp van een citaat van de dichter zelf, uit de bundel Verloop van jaren (2015): ‘liever geen biografie / waarin al deze gevoelens worden gemist’.

Tot de bronnen waarop Van Hengel zich baseert behoren de gesprekken die zij twee jaar lang op vrijdagmiddagen met Campert en zijn echtgenote Deborah Wolf heeft gevoerd en waaruit ze geregeld citeert. Een werkwijze die voor- en nadelen heeft en risico’s in zich draagt, maar die gelukkig niet heeft geleid tot een onkritische houding van de biografe (of zal ik toch maar zeggen portrettiste?) ten opzichte van haar held. Misschien dat deze houding haar vergemakkelijkt werd door het tijdens de ontmoetingen geconstateerde geringe schaamtegevoel van de dichter en door het feit dat mevrouw Wolf ‘gewend is in niets een blad voor de mond te nemen’ (416). Hoewel er kennelijk ook ontboezemingen zijn gedaan die het papier niet hebben gehaald, zoals Van Hengel in het al geciteerde voorwoord eveneens memoreert: ‘dit moet er maar niet in’; ‘nee, dat begrijp ik’.

Graniet onder hun voeten

Een conclusie die na lezing van Van Hengels verhaal voor mij onmiddellijk duidelijk was, en tegelijk een bevestiging van het beeld dat zich met de loop der jaren bij mij had gevormd, is dat Remco Campert gedurende het grootste gedeelte van zijn bestaan als dichter en schrijver, en ondanks de vele titels die hij in de loop van bijna zeventig jaar heeft gepubliceerd, toch vooral gemeend heeft literatuur te kunnen leven. Als een hem op het lijf geschreven rol in het theater van de wereld. Veel van de personages uit zijn verhalen zijn dan ook nog eens… schrijvers.

Als zoon van de al eerder uit zijn leven verdwenen maar in 1943 in het concentratiekamp Neuengamme omgekomen Jan Campert en van de actrice Joekie Broedelet, is hij de titel van zijn vaders gedichtenbundel Slordig beheer (1941) als een passende karakteristiek van ook zijn eigen levenswandel gaan zien en heeft hij, daarnaast, meer dan eens getuigd van zijn diepe liefde voor de wereld van het toneel. Ook grootvader J.W. Broedelet was een theaterman: hij acteerde en schreef toneelstukken en romans.

Literatuur leven, als een personage dat uit zijn ficties naar voren kan treden en daarin ook weer verdwijnen, daarbij sporen nalatend in de levens van anderen, die ofwel eenzelfde leven leiden of – daar begint een tragiek – juist hopen op graniet onder hun voeten, is iets anders dan bouwen aan een oeuvre. Voor dat laatste is doorzettingsvermogen nodig, geduld, zitvlees en nog zo het een en ander, waaronder niet in de laatste plaats misschien: niet toekomen aan verveling, gegrepen zijn door je werk.

Ongedurigheid

Blijkens Van Hengels boek is Remco Campert zich van de zwakten in zijn aanleg steeds meer bewust geworden. Romans werden soms afgeraffeld, omdat het geduld om ze op bevredigende wijze te voltooien ontbrak, of bleven steken in een kort verhaal. Al in augustus 1955 schreef Campert aan Simon Vinkenoog: ‘nooit krijg ik eens een boek af, dat is ook zo vervelend, alleen maar slordig samengestelde bundels. Nu ben ik alweer aan een ander boek bezig, terwijl ik datgene waar ik al een voorschot, en een contract dat zegt dat ik het boek afheb 1 Oct. 1954, van de Bij op heb gekregen, nog niet af heb en nog lang niet af zal hebben.’ (219).

Ongedurigheid en onmacht of gemakzucht (de biografe vermijdt die laatste term) lijken ook hun sporen te hebben nagelaten in zijn poëzie, waar de parlandotoon, door literaire critici graag als ‘luchtig’ aangemerkt, opmerkelijke vormloosheid en soms ook inhoudelijke trivialiteit zijn betere gedichten soms dreigen te overschaduwen.

Wandelstokje

Al in de jaren zeventig, toen er nauwelijks nog nieuw werk van hem verscheen, nam Camperts ‘status in de buitenwereld’ juist toe, schrijft Mirjam van Hengel (396). Jaren later, in 2016, komen we de statushouder zelfs tegen in het televisieprogramma College Tour als ‘nationale knuffeldichter’ (508).

Hoe kritisch de biografe ook kan zijn, ze behoort niet tot de weinigen die kunnen ontkomen aan de charme die uitgaat van met name de nu oud geworden, stille en breekbare dichter. Eveneens in 2016 bezoekt ze De Rode Hoed, waar hij zal voorlezen, en ziet ze hem binnenkomen: ‘Mintgroene sneakers, stevig, met leren zolen, witte veters. […] onder een soepel kostuum met een okergeel gebatikt sjaaltje […]. Even behoedzaam als kordaat loopt hij de zaal in. […] in zijn rechterhand het vroegere wandelstokje van de acteur Cruys Voorbergh. Het donkere rotan lijkt even breekbaar en dun als hijzelf. Hij gaat zitten op de eerste rij, slaat zijn benen over elkaar, wandelstokje ertussen. De ene groene schoen hangt in de lucht, losjes, blikvangend.’ En dan de veelzeggende slotzin van deze alinea: ‘Poëzie voordat iemand iets gezegd heeft.’ (142).

Afwezige vader

De door de biografe ervaren charme straalt zelfs af van een foto. Zo noteert ze over het portret dat het omslag van Campert compleet (1971) siert, na ook hier een beschrijving te hebben gegeven van zijn outfit: ‘frontaal fietst Remco op de camera af, innemend en onbevangen, niet per se een schoonheid maar zeker erotiserend, met behaarde slanke armen en stevige lange benen.’

Literatuur leven. En de tragiek die daar, meestal voor anderen dan, mee samenhangt. Van Hengel weet daar zeker een paar noten over te kraken, vooral wanneer het gaat om Camperts beide dochters, tegenover wie hij naar hun en eigen zeggen als vader zeer tekort geschoten is. Tegenover de biografe spraken deze vrouwen van een schuldbesef waarin hij later helemaal kon ‘verdrinken’. (367). Misschien dat zij met dit laatste woord ook een toespeling wilden maken op de enorme rol die het drankgebruik in Camperts leven heeft gespeeld.

Van Hengel steekt de alcoholverslaving en de ook relationele gevolgen daarvan niet onder stoelen of banken. En over Campert als afwezige vader schrijft zij: ‘Een pijnlijk verhaal van onvermogen en verwaarlozing. Het cliché is snel klaar: de zoon die geen vader had gehad, kon zelf geen vader zijn. Maar waarom zou dat niet gekund hebben?’

Makker uit de Vijftigersbent

Een ‘portret’ dus, dit boek, Een knipperend ogenblik. Met gevoelens erin, die in de gebruikelijke soort schrijversbiografie volgens Van Hengel minder gemakkelijk aan bod zouden komen. Dat is discutabel, maar goed, hoe zit het dan in zo’n portret met de sociale omgeving van het personage? Komt die ook in beeld?

Dat is maar zeer ten dele het geval. Natuurlijk komt de naaste familie voorbij, net als geliefden en vrienden, maar wie bijvoorbeeld meer zou willen lezen over Camperts bijzondere vriendschap met de zes jaar oudere Gerrit Kouwenaar komt bedrogen uit. Er wordt een enkele keer geciteerd uit brieven van Campert aan Ger. Kouw. (ik herhaal hier een bekend afkortingsgrapje van Rem. Ca.), maar ten aanzien van hun relatie maakt dat ons niet veel wijzer. Toch was Kouwenaar, zoals ik bij ontmoetingen meer dan eens heb kunnen zien, niet zomaar een generatiegenoot, een makker uit de Vijftigersbent. Je keek en dacht: dit is een liefde die vriendschap heet. Hun verhouding leek mede gefundeerd op het feit dat zij zich – met excuses voor de term, de betrokkenen gebruikten hem zelf – als ‘kutzwagers’ beschouwden: zij hadden, conform de definitie, seks gehad met dezelfde vrouw, waardoor hun relatie voor hen net iets meer betekende dan ‘gewone’ vriendschap.

Gedeelde intimiteit

Over Camperts vriendschap met Rudy Kousbroek, die al in hun middelbare-schooltijd was begonnen, lezen we in Van Hengels boek wel wat meer dan over de kameraadschap Campert – Kouwenaar. Ook in het geval van Kousbroek speelt vrouwelijk middelaarschap een rol, wanneer we afgaan op de interpretatie die de portrettiste geeft van een van Camperts verhalen, daartoe door een aanwijzing van de schrijver in staat gesteld. In het verhaal ‘Het’, uit de bundel Een mooie jonge vriendin en andere belevenissen (1998), zijn twee ‘gezworen vrienden’ verliefd op hetzelfde meisje, net als in de realiteit van destijds, toen die vrienden Remco en Rudy heetten en het meisje blijkbaar Chrissie. Van Hengel citeert de passage waarin beiden met dat ene meisje ‘hun eerste keer’ meemaken. De jongen die hier David wordt genoemd, komt als eerste aan de beurt. ‘Ze streelde zijn haar en draaide haar gezicht toen naar mij. “Nu jij,” zei ze. Na nog een vlugge blik op het huis waaruit muziek en gelach klonk nam ik Davids plaats tussen haar benen in. De natte, gladde weg wees zich vanzelf.’

De biografe voegt daaraan toe: ‘Geen grotere gedeelde intimiteit.’ Tussen de twee vrienden wel te verstaan.

Duf en muf

Het is misschien een beetje flauw, bij een boek als dit, dat door de auteur zo nadrukkelijk een portret werd genoemd, toch ook iets meer te verwachten. Maar wat ik persoonlijk erg miste in Een knipperend ogenblik waren onder andere de contacten met Jan Hanlo, wiens proza door Simon Carmiggelt ooit zo treffend als ‘een lucide soort zeuren’ werd getypeerd, een karakteristiek die volgens de criticus en essayist Kees Fens ook kon gelden voor delen van Camperts proza. Hanlo die onder de naam Ondo een rol speelt in het verhaal ‘Een nacht en een morgen’, dat te vinden is in de bundel Nacht op de kale dwerg (1964). Bert Schierbeek mis ik ook, wiens aangrijpende bundel De deur (1972), geschreven naar aanleiding van de dood van zijn vrouw Margreetje, die bij een auto-ongeluk on het leven kwam, mij van invloed lijkt te zijn geweest op Camperts lange gedicht ‘Lamento’, dat als het wordt voorgelezen altijd weer zoveel mensen weet te ontroeren.

Genoeg hierover. Welke elementen van Van Hengels boek hebben mij als belangstellende lezer, die vanaf de jaren zestig met het werk van de Vijftigers in aanraking kwam, iets blijvends opgeleverd?

Ik noem drie dingen en begin met een kleinigheid. Zo is er het besef dat Het leven is vurrukkulluk (1961), dat we nu zo gemakkelijk associëren met een sfeer uit de jaren zestig, terwijl bij verschijnen van de roman nog maar nauwelijks begonnen waren, in feite gebaseerd is op een levensgevoel dat Campert en zijn artistieke generatiegenoten al in de jaren vijftig wisten te vieren. Niet dat daar in Een knipperend ogenblik expliciet op wordt geattendeerd; de biografe schrijft immers letterlijk dat het boek gaat over ‘jong en onthecht zijn in de jaren zestig’. Maar ik had me niet eerder zo scherp als door deze terloopse kwalificatie gerealiseerd, dat Het leven is vurrukkulluk, in zijn ‘jeugdigheid’ toch echt nog uit die steeds weer als duf en muf voorgestelde jaren vijftig naar boven is gekomen.

‘Vitaal’

Heel mooi is wat de biografe doet tegen het einde van haar boek, wanneer ze Campert confronteert met een van zijn vroege gedichten, gepubliceerd toen hij twintig was, dus helemaal aan het begin van de jaren vijftig. Dat is het mooie ‘Oude dichter’.

Oude dichter

Licht is dichtgeknoopt in een neteldoek
mijn bril waar is mijn bril ligt op de schoorsteen
naast de werken verzameld en vrijgegeven
naast de foto van de vrouw verlaten

en mijn kinderen ik versta hun roepen niet meer
en mijn pen mijn vingers de verveloze schutting van mijn hart
heb ik de hemel ooit bezeten de aarde ooit herkend

het laatste wapen droom geslagen uit mijn hand
sta ik ontredderd in de sprakeloze duisternis
laat nu de dood maar komen
langs de versleten treden van mijn verzen

De portrettiste vraagt nu: ‘of het niet evengoed zo is dat hij nooit zomaar jong is geweest, in plaats van dat hij [met de rond hem hangende mythe van ‘eeuwige jeugd’] nooit oud wordt.’

Door die opmerking vallen dingen op hun plaats. Hoe ‘vitaal’ is die ‘melancholieke’ schrijver Campert eigenlijk altijd geweest?

Het lijkt nu een retorische vraag.

Illusie van continuïteit

Misschien heeft ook Camperts voorkeur voor schrijven op de korte baan ermee te maken. Het snelle resultaat, de kortstondige ijver van wie graag klaar wil zijn, de tijdelijke drift van wie – een beetje vroegoud misschien – niet tegen heel veel opgewassen lijkt. En daarmee samenhangend: opgegroeid voor niet heel veel.

Van Hengel geeft een mooie analyse en typering van Remco Camperts werk als columnist. Het zijn maar enkele bladzijden (vanaf 486), maar binnen het boek als geheel maken deze bladzijden voor mij volmaakt duidelijk, dat de grote kracht van deze populaire schrijver het beste tot uitdrukking is gekomen in zijn schrijven van korte teksten – iets waartoe zijn aanleg hem (zie hierboven) bijna voorbestemd lijkt te hebben.

Als biograaf van Kees Fens heb ik in dit verband meer dan eens moeten denken aan diens hang naar en (bijna letterlijk) verslaafheid aan de kleine literaire en journalistieke vormen, die hij zelf ook beoefende en waarmee hij enkele keren per week in de krant wenste te scoren. De titel van mijn boek over hem had, bij wijze van spreken, ook voor een portret van Remco Campert kunnen gelden: Mijn versnipperd bestaan. Wie wil kan in de woorden Een knipperend ogenblik daarvan een echo vernemen, al is de door Van Hengel gekozen titel (natuurlijk) ontleend aan een regel van haar dichter, die, lopend door de straten van Amsterdam, plotseling aan het moment van zijn dood moet denken: dat ogenblik, een van de ontelbare oogwenken die samen, in durend geknipper, de illusie van een leven hebben gevormd, als de illusie van een continuïteit. (549).

Passerende landbouwwerktuigen

Mijn belangstelling voor het werk van Remco Campert is door het lezen van Een knipperend ogenblik niet groter geworden, met uitzondering misschien van zijn dikwijls spits geformuleerde, geestige en humoristische columns, waarvan de verzamelbundels voor mij nu toch meer in het centrum van zijn werk zijn te plaatsen. Naast een aantal verhalen en – het spijt me – een vrij beperkte keuze uit zijn gedichten. Toch heb ik Van Hengels boek met grote interesse gelezen, met bewondering voor de compositie en met respect voor haar balanceren tussen verering en kritiek. Soms ook met plezier om haar formuleringen, haar stijl van schrijven. Op andere momenten met de gedachte dat een redacteur hier nog wat goed werk had kunnen verrichten. Zoals wanneer ze schrijft over een mislukt Vijftigersproject dat nooit gerealiseerd is, ‘alsof de groep haar ledematen niet zomaar weer opgestrekt kreeg.’ (391). Als ze schrijft over een ‘meervoudige spreidstand’ waarin de held ‘overeind gebleven’ is. (403). Of over een huis als een gezamenlijk ‘baken waarvan de luiken open konden’ (425). Een neiging om ‘literair’ te doen speelt haar dan parten, zoals ook aan het begin van hoofdstuk 11, dat begint met de evocatie van ‘Een stille augustusochtend’ met ‘schuimig licht’ (?), terwijl in die stille ochtend het ‘gepiep’ van mussen wedijvert met het geluid van ‘de passerende landbouwwerktuigen.’ (406).

Roem en voortbestaan

Het zou voor een eventuele volgende biograaf interessant kunnen zijn, de relatie tussen leven en werk van Remco Campert te analyseren in het kader van romantische visies op schrijverschap en kunstenaarschap, met bijzondere aandacht voor opzettelijke en onopzettelijke daden van zelfstilering en voor de wijze waarop de massamedia decennialang hebben bijgedragen aan wat je de idee ‘Campert’ zou kunnen noemen.

‘Een dode dichter is dichter / bij dan een levende: zijn taal is zo volstrekt / gevuld met grond / dat zij bestaat’, schreef Gerrit Kouwenaar in 1962 naar aanleiding van de dood van Gerrit Achterberg. Net als Campert was hij aanwezig bij de uitvaart van de dichter. (537). Uiteindelijk komt het aan op de kracht van het werk, en van lezers die daarin (blijven) geloven. De enige grond en mogelijkheid voor roem en voortbestaan.

Mirjam van Hengel, Een knipperend ogenblik. Portret van Remco Campert. Amsterdam, De Bezige Bij, 2018. ISBN 978 94 031 2290 8. Bestelinformatie bij de uitgever.

Enkele detailopmerkingen

Helaas is de citatenverantwoording in het boek gebrekkig en ontbreekt een index van personen. Het illustratiemateriaal is karig. Veelvuldig ontbreken foto’s die in de tekst ter sprake worden gebracht. In de Fotoverantwoording (569) is sprake van een foto op de binnenkant van het omslag voorin. Deze ontbreekt in het boek.

* Met de door de auteur niet geïdentificeerde Buzian (31), over wie in Camperts geboortecahier gegrapt wordt dat hij de boreling gedoopt zou hebben, moet wel de clown Buziau zijn bedoeld. * Op 285 worden dichtregels van Paul van Ostaijen uit de bundel Bezette stad ten onrechte toegeschreven aan Remco Campert (die ze in Nieuwe herinneringen overigens zonder aanhalingstekens citeerde aan het eind van een gedicht van, uiteraard, hemzelf). * Op 85 geldt een gedicht over zijn vader als Camperts eerste bijdrage aan het schoolblad Halo; dat is strijdig met een mededeling op 115. * Op 167 is sprake van ‘verzetsactiviteiten’ van Gerrit Kouwenaar. Dat is te zwaar aangezet. Kouwenaar publiceerde enig literair werk in het clandestiene tijdschrift Lichting.