Kwispelend en dravend door een bos

Door Robert Chamalaun

Tijdens een lesje spelling kwamen mijn leerlingen en ik onlangs een zin tegen waarin een hond al kwispelend en dravend door een bos ging. In de betreffende zin moest van het werkwoord draven de persoonsvorm verleden tijd correct gespeld worden. De correcte vorm is draafde en het werkwoord gedraagt zich dan ook als een compleet regelmatig werkwoord (dravendraafdegedraafd). Verschillende leerlingen hadden echter beredeneerd dat de verleden tijd droef moest zijn, in analogie met graven. Een volstrekt legitieme redenering, leek mij.

Van oudsher kent het Nederlands verschillende typen werkwoordvervoegingen: het sterke (onregelmatige) type en het zwakke (regelmatige) type. Daarnaast zijn er werkwoorden die niet van oorsprong sterk zijn, maar wel een onregelmatige vervoeging hebben (half-onregelmatige werkwoorden) (ANS). Denk bijvoorbeeld aan werkwoorden als bakken (bakbaktegebakken) of vragen (vragenvroeggevraagd). In dit laatste voorbeeld verandert de <a> ook in de digraaf <oe>. Met andere woorden, het is helemaal niet zo vreemd dat leerlingen dachten aan droef [x] als verleden tijd van draven.

Ik vroeg me af welke verklaring aan deze analogiestrategie ten grondslag ligt en ik kwam uit op twee mogelijke, relevante scenario’s: (1) het werkwoord draven is ooit een sterk werkwoord geweest, of (2) het werkwoord graven is ooit een zwak of half-onregelmatig werkwoord geweest.

In het eerste scenario zoom ik in op het werkwoord draven. In het Middelnederlandsch Woordenboek (MNW) is te vinden dat het woord draven al in de veertiende eeuw voorkwam. Zo lezen we in de Reinaert ‘(Doe) ghinc Reinaert int sant staen scraven ende dede hem tstof in doghen draven’. Hier heeft draven de betekenis van ‘vliegen’. Denk in dit verband ook aan onze uitdrukking ‘in vliegenden draf’. Ook vervoegingen van het werkwoord treffen we aan in het MNW. In de context van dit artikel beperk ik me tot de verledentijdsvormen.

Die hert doen niet langer en spaerde ende draefde hare rechte jeghen

Hi (het hert) draefde henen

Die hert die draefde sijnre straten

In alle gevallen gaat het om de Middelnederlandse variant van het moderne draafde. Kortom, draven is van oudsher al een regelmatig werkwoord. Wel komt incidenteel het voltooid deelwoord gedraven voor, waarbij de kanttekening gemaakt kan worden dat dit waarschijnlijk aan misbruik toe te schrijven is. In verwante talen is het woord namelijk steeds zwak.

In het tweede scenario is er natuurlijk de mogelijkheid dat graven in vroeger tijden een zwak of half-onregelmatig werkwoord was. We zien de eerste verschijningsvormen van graven in het Oudnederlands Woordenboek (ONW), maar ook hier was het al een sterk werkwoord. In de eeuwen daarna is dat niet meer veranderd (zie ook het VMNW en het MNW). Kortom, competitie met een mogelijke spelling als graafde [x] lijkt hierdoor onwaarschijnlijk.

Hoewel de verwarring met gelijkluidende woorden als graven dus begrijpelijk is, is er vooralsnog geen duidelijk verklaring te vinden in de twee besproken scenario’s. Het eerste scenario biedt gelukkig nog een uitweg. Het kan zijn dat er ooit wel een werkwoordsvervoeging droef bestaan heeft, maar dat dit woord uit onze taal verdwenen is. En inderdaad, er blijkt ooit een werkwoord draven bestaan te hebben met een geheel andere betekenis dan het werkwoord draven waar ik tot nu toe over schreef. Dat andere draven had de betekenis van ‘houwen’, ‘slaan’ en werd vervoegd als droef en ‘heeft gedraven’. (Taaldacht – vergeten woorden). Dit werkwoord met zijn specifieke vervoegingsvormen is verdwenen uit onze taal.

Kortom, het is niet vreemd dat leerlingen gebruikmaken van een analogiestrategie. Zeker als ze een werkwoord moeten vervoegen dat ze niet goed kennen, een probleem dat we vaker tegenkomen in lesmethodes (maar daarover een andere keer). Het blijkt ook nu weer dat het interessant kan zijn spelling vanuit een etymologisch perspectief te benaderen. In ieder geval geeft het wat meer inzicht in de vraag waarom een werkwoord op een bepaalde manier vervoegd moet worden. En dat leidt uiteraard tot interessante discussies tijdens de lessen Nederlands.

Over Robert Chamalaun

Robert Chamalaun geeft Nederlands op een middelbare school en is promovendus Taalwetenschap aan de Radboud Universiteit.
Dit bericht is geplaatst in column, Neerlandistiek voor de klas met de tags , , . Bookmark de permalink.

4 reacties op Kwispelend en dravend door een bos

  1. Rob Alberts schreef:

    Prachtblog

    Toch vindt er meen ik een verschuiving plaats van de sterke vervoeging naar een regelmatige zwakke vervoeging i het Nederlands.

    Vriendelijke groet,

  2. Johanna schreef:

    Misschien komt de keuze voor “droeven” door bekendheid bij de lln met het Engelse werkwoord “drive – drove – driven”. Het betekent niet alleen rijden maar ook aandrijven of slaan, zoals het vergeten Nederlandse werkwoord draven.

  3. (ome) Leon schreef:

    Hoi Robert, Mij valt op dat er bij werkwoorden met als tweede letter de r veel sterke werkwoorden zijn. Wat dat betreft is draven een uitzondering. Ook dat zou nog verwarring kunnen geven:
    dragen, droeg, gedragen
    drijven, dreef, gedreven
    dringen, drong, gedrongen
    drinken, dronk, gedronken
    druipen, droop, gedropen
    graven, groef, gegraven
    grijpen, greep, gegrepen
    krijgen, kreeg, gekregen
    krijsen, krijste/krees, gekrijst/gekresen
    krijten (‘schreeuwen’), kreet, gekreten
    krimpen, kromp, gekrompen
    kruipen, kroop, gekropen
    prijzen (‘loven’), prees, geprezen

    succes!

Laat een reactie achter