Jozef Efronski (1896)

Jeugdverhalen over joden (5)

Door Ewoud Sanders

Omslag van de eerste druk van Jozef Efronski, een waar verhaal uit den tijd der Russische Joden-vervolging. Op zijn vlucht uit Rusland wordt Jozef aangevallen door wolven. Hij slaapt een nacht in een boom om aan ze te ontkomen. De naam van de illustrator is niet bekend.

Herkomst en drukgeschiedenis

Adriaan Doeleman (1848-1918), de auteur van Jozef Efronski, was het grootste deel van zijn leven werkzaam in het onderwijs: als onderwijzer, als schoolhoofd, als aardrijkskundeleraar en examinator. Hij schreef verschillende schoolboeken en maakte een wandkaart van Europa voor het onderwijs. Ook schreef hij twee jeugdboeken: Jozef Efronski onder zijn eigen naam en Na lijden verblijden (1898) onder de schuilnaam Schutter.

Doeleman had een problematische relatie met zijn oudste zoon, Herman Frans Doeleman (1874-1944). ‘Herman was een intelligente jongen, maar erg lastig. Zijn vader, ten einde raad, stuurde hem naar Amerika’, aldus een kroniek van de familie Doeleman.

Op 27 mei 1893 werd Herman, toen negentien jaar, met veertig gulden op zak op de boot naar Amerika gezet om daar een toekomst op te bouwen. Aan boord van het stoomschip ‘Rotterdam’ ontmoette hij tussen de landverhuizers de hoofdpersoon van Jozef Efronski: een Russische jongen van twaalf of dertien jaar die een barre tocht uit Rusland naar Nederland achter de rug had. Jozef was als verstekeling aan boord gekomen.

De overtocht duurde dertien dagen en in die tijd tekende Herman Jozefs verhaal op, aantekeningen die hij vervolgens naar zijn vader stuurde. Die maakte er in 1896 een geromantiseerd jeugdboek van.

De eerste druk van Jozef Efronski verscheen in 1896 bij uitgeverij L.J. Veerman in Heusden. Het is onzeker wanneer de tweede en derde druk zijn verschenen; voor beide drukken wordt reclame gemaakt in jeugdboeken waarvan het jaar van verschijnen is geschat op 1920-1921. In de samenvatting is geciteerd uit de eerste druk. Voor een digitaal exemplaar, zie hier.

Samenvatting

Het verhaal speelt tussen 1891 en 1893, grotendeels in Rusland. Jozef Efronski woont met zijn vader David en zijn moeder Sara in Brest in Wit-Rusland. Jozef is tien jaar als het verhaal begint en heeft een hond, de poedel Azor. Die heeft hij gekregen van Hans, een Duitse collega van zijn vader, die bij een zijdefabriek werkt. Van Hans leert de slimme Jozef Duits. De moeder van Jozef verkoopt zelfgemaakte kunstbloemen op straat. Ook Jozef maakt kunstbloemen.

In Rusland heerst op dat moment een economische crisis die veel Russen aan de joden wijten. Daarom vinden er gruwelijke jodenvervolgingen plaats. De zijdefabriek wordt in brand gestoken en Jozefs vader en de fabriekseigenaar besluiten om naar Amerika te vertrekken. Ze hebben niet genoeg geld om ook de overtocht van Jozef en Sara te betalen. Nadat ze in Amerika zijn aangekomen stuurt Jozefs vader geld en ook zijn nieuwe adres: hij is in Paterson, New Jersey, neergestreken.

Jozef probeert bij het station kunstbloemen te verkopen, maar heeft nauwelijks klanten.

De jonge Jozef probeert kunstbloemen te verkopen bij het station. Een ‘voorname dame’ zegt tegen haar dochtertje, die bloemen wil kopen: ‘Neen, Vera, koop er maar geen, ik ben vies van de joden.’

Vervolgens probeert Jozef geld te verdienen als luciferverkoper en sjouwer, maar zonder succes. Toch blijft hij optimistisch, want ‘God helpt hen, die zichzelf helpen’.

Nadat zijn moeder aan cholera is overleden besluit Jozef – inmiddels twaalf jaar – zijn vader achterna te reizen. Hij wil naar Rotterdam, waar ook zijn vader de boot heeft gepakt.

Dit is het begin van een barre tocht. In Rusland wordt Jozef overvallen door een jonge landloper die de poedel Azor doodslaat. Later wordt Jozef een beek in gejaagd door een aantal jongens die hem bekogelen met modder en stenen – hij haalt ternauwernood de overkant. Vlak bij de grens met Polen wordt hij aangevallen door wolven – hij weet net op tijd in een boom te klimmen.

De Poolse grenswachten jagen hem weg: ‘Laat Rusland zijn eigen Joden maar houden, er is hier al te veel van dat gespuis.’ Bij een klein riviertje zwemt Jozef illegaal de grens over. Poolse boeren schelden hem uit als hij vraagt of hij in de hooiberg mag slapen (‘Denk je, dat het hier een joden-logement is? Maak dat je wegkomt, of ik zal den bandhond eens eventjes losmaken’).

In Silezië, een streek die indertijd toebehoorde aan Pruisen, komt Jozef bij een dorp een paar jongens tegen. Een van hen koopt een horlogeketting van Jozef – hij werpt het muntstuk op de grond. De jongen trekt de ketting daarna kapot en eist zijn geld terug. Als Jozef in discussie gaat, gooien de jongens zijn handelswaar, die hij van zijn laatste geld heeft gekocht, in de rivier. ‘Je bent een bedrieger, net als alle joden. Je zult anderen niet weer beetnemen met je prullen.’ Even is Jozef de wanhoop nabij, maar dan denkt hij: ‘Neen, ik geef het niet op. Zoolang ik leef, zal ik volharden! Vader, ik kom!’

Soms krijgt Jozef hulp: droge kleren en schoenen van een pastoor, een overnachting bij een arme weduwe, gratis papier voor kunstbloemen van een papierhandelaar. Heel toevallig loopt de jongen in Duitsland Hans tegen het lijf, de Duitse collega van zijn vader. Hans koopt een treinkaartje voor Jozef, reist een stuk mee en schenkt hem nieuwe handelswaar.

Door een misverstand brengt Jozef in Duitsland een nacht door in een cel, maar nadat hij met gevaar voor eigen leven een meisje uit het water heeft gered, kan hij met een Nederlandse schipper meevaren tot Dordrecht. In Nederland heeft hij nog een onplezierige ontmoeting met jongens (‘Mozes of Cham, of hoe je anders heeten mag, je moet de lui hier niet komen afzetten, hoor!’).

Als Jozef aan boord van de SS Rotterdam als verstekeling wordt ontdekt, wordt hij bij de kapitein gebracht. Die zegt: ‘Ik neem je mee naar New York en lever je aan de politie uit; die kan je dan bij je vader brengen en de vracht [het verschuldigde passagiersgeld, ES] gaan innen.’

In Paterson is Jozefs vader snel gevonden. ‘Eenige oogenblikken later vielen vader en zoon sprakeloos elkander in de armen.’

Doelgroep en receptie

Jozef Efronski verscheen in de reeks ‘De nieuwe bibliotheek voor de jeugd’, onder redactie van de Amsterdamse onderwijzer en jeugdboekenschrijver J. Stamperius (1858-1936). Volgens een uitgeversadvertentie in het Nieuw Israelietisch Weekblad (NIW) was het boek bestemd voor ‘knapen en meisjes van 12 tot 15 jaar’, maar ook interessant ‘voor hen die dezen leeftijd te boven zijn’.

Het is zeer ongebruikelijk dat niet-joodse uitgevers met dit soort uitgaven adverteerden in het NIW; bij mijn weten is dat alleen met dit jeugdboek gebeurd. In hetzelfde nummer schreef de redactie, na een zeer summiere samenvatting van het verhaal, dat bestuurders van een Israëlitisch jongensweeshuis in Amsterdam een recensie-exemplaar met ‘bijzondere ingenomenheid’ hadden gelezen; zij wilden hun best doen om het verspreid te krijgen. ‘Wij twijfelen dan ook niet’, aldus de redactie, ‘dat het een gelukkige gedachte van den schrijver is geweest, om deze eenvoudige geschiedenis in verhalende trant wereldkundig te maken.’

‘Het is een verhaal uit de Russische Joden-vervolging’, oordeelde het Algemeen Handelsblad in 1896, ‘waarvan de jeugdige held wel wat te zoet is, maar toch genoeg avonturen heeft om het boekje voor kinderen aardig te maken.’

Portret van Adriaan Doeleman.