Hete truffel. Een terzijde bij het overlijden van Clara Haesaert

Door Kurt Deswert

Afgelopen zaterdag overleed dichteres Clara Haesaert, een ‘grande dame’ van de Vlaamse poëzie. Jos Joosten schreef hier op Neerlandistiek een treffend in memoriam waar ik graag een klein terzijde naast plaats. Op een bepaald moment, nu enige tijd terug, heb ik haar erg goed heb leren kennen. Naar aanleiding van een interview voor Vlam werd ik gedurende een aantal maanden zo ongeveer gestalkt door haar, omdat ze mijn inspanningen voor de Nederlandstalige poëzie in Brussel wel kon waarderen. Ze kwam bijvoorbeeld ook naar een slechts door een tiental mensen bijgewoonde poëzievoordracht van Vers uit Brussel in gemeenschapscentrum Op-Weule (Sint-Lambrechts-Woluwe). Ze was erg ingenomen met dat initiatief.

En dus werd ik verschillende woensdagmiddagen – om de twee weken kwam ze met haar autootje naar de binnenstad vanuit Kraainem – meegetroond naar de Pataya, een Aziatisch restaurant, gelegen recht tegenover Passa Porta, de plek waarvan zij de grondslag had gelegd. De kleine Brusselse Nederlandstalige literaire wereld van de jaren zestig, zeventig en tachtig werd er mij ontvouwd. Die van de periode voor de grote subsidiegolf die alles professionaliseerde.

Maar, wat mij ook werd ontvouwd, was een deel van het innerlijke leven van de toen kranige negentigplusser die tegenover me zat. Nu ze overleden is, mag het wel gezegd – ze schroomde zich niet om het me uit de doeken te doen – dat ze in feite nogal een ‘hete truffel’ was geweest in haar gloriejaren. En, dat haar werk óók in die zin moet gelezen worden, maar dat daar nog geen enkele recensent of poëziestudax ooit op was gekomen.

Want, zo zei ze mij, als negentigjarige, je leeft maar één keer en als ze ‘zin’ had, tja, dan liet ze zich nu eenmaal zelden onbetuigd. Hop de achterbank op desnoods… Ik zal hier de namen van haar minnaars niet verklappen, gezien sommigen ervan nog leven (en véél jonger waren), maar die kleine anekdote waarbij ze toch een beetje trachtte indruk op mij te maken, zal ik toch niet snel vergeten.

Vlaamse Poëziedagen, Merendree, juli 1952. Pastoor De Craene met de laureaten: Anton van Wilderode, Clara Haesaert en Louis Hendrickx (collectie Letterenhuis)

Of die keer dat ze me meetroonde naar de overkant, naar Passa Porta zelf, waar ze een afspraak had gemaakt met de organisatie en het idee voorlegde voor een free podium voor poëzie, op eigen kosten dan nog, tijdens het Passa Portafestival. Maar ze werd daarbij vriendelijk maar kordaat door de programmatoren afgewezen. Toegegeven, ze stormde er een beetje à l’improviste binnen (ik moest mee, maar was niet op de hoogte waarom). Ze begreep niet hoe verambtelijkt (en ze was nochtans zelf jarenlang ambtenaar geweest) het professionele literaire circuit dat ze zelf in het leven had geroepen, intussen geworden was.

Maar ach, dichters sterven niet. Misschien moet er toch eens iemand zich buigen over de geilheid in haar gedichten. Het zou een volledig ander beeld op haar werk en leven bieden.

1

zo zal ik zijn
een vrouw zonder verleden

in bevlogen ogenblikken
met een draai om de oren
en een pin om de hals
zal de herinnering
alles opzij schuiven

als de onbuigzame stem in de late avond
voor dienaars en dienaressen
vol hulpeloze schaamte
weer op een verzoeningspoging aanstuurt
blijf ik ter plaatse trappelen

zonder terugblik in de bloedrode duizeligheden
zal ik weerkeren
tot mijn levensnoodzakelijke
tot mijn liefste wensdroom:
een blanco nachtregister.

Uit: Clara Haesaert, Medeplichtig (Antwerpen/Amsterdam: Elsevier & Manteau, 1981).

Dit bericht is geplaatst in In memoriam, letterkunde met de tags , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter