Gedicht: A. Roland Holst • Hooge deernis

Hooge deernis

Deernis vervult in den nacht hen, die ontstegen zijn
naar de toppen der aarde en peinzend neerzien
over dit schaduwenrijk; wrevel noch weerzin
kunnen zij langer meer voelen voor de bedrukten
in de ravijnen waar de holle wegen zijn
van de neerslachtigen, allen die klagend ontvielen
aan de vervoeringen die ook hen eenmaal verrukten.
Deernis over het wee van de gefaalde zielen
in hen, wien nu zelven de heemlen verschenen zijn –
Deernis en het vaarwel van hun machtloos erbarmen
naar de verloornen van dezer aarde geheimenis,
die daar bedwelmen in elkanders armen
– aanvanklijk weenend nog – een laatste heugenis
van de lichtende vleugelen, die verdwenen zijn.

A. Roland Holst (1888-1976)
uit: De wilde kim (1925)

 

———————————–