Lekker keten met de minister

Door Marc van Oostendorp

Ook voormalige ministers van wetenschappen begeven zich soms op Twitter en komen dan in een discussie tussen specialisten op een bepaald gebied. Sommigen kunnen het niet nalaten daar die specialisten eens even te vertellen hoe het zit.

Wij discussieerden bijvoorbeeld over de vraag of je ‘kunstmatige’ regels in taal van ‘natuurlijke’ kunt onderscheiden. Een voorbeeld van de eerste is het verschil tussen hun en hen: in de zeventiende eeuw bedacht om het Nederlands weer eerbiedwaardige naamvallen te geven, is het nooit echt ingedaald. Er is bijvoorbeeld geen kind die deze regel zomaar leert, je moet hem altijd op school bijgebracht krijgen. Ook zijn er aanwijzingen dat volwassenen anders met die regel omgaan, dat de regel nooit helemaal taalgevoel wordt. ‘Natuurlijke regels’ zijn dan de dingen die mensen van nature doen en nooit hoeven te leren. Niemand zegt ooit “Mij loopt” in plaats van “Ik loop”, daar heb je als moedertaalspreker geen les voor nodig.

Toen kwam de voormalige minister:

Er zijn een paar dingen interessant aan deze tweet. Bijvoorbeeld dat Plasterk zegt dat iedere regel ooit gecodificeerd is en dan als voorbeeld een regel geeft waarvoor dat aantoonbaar niet geldt: ik denk niet dat er ergens een schoolboek of grammatica te vinden is waarin wordt voorgeschreven om ‘ik zie hen lopen’ te zeggen, maar ‘ik geef het boek aan hun’.

Conceptuele argumenten

Het citaat van Multatuli is ook paradoxaler dan de twitteraar waarschijnlijk vermoedt: Plasterk lijkt ermee te willen zeggen dat op school geleerde taal soms natuurlijk wil worden, maar het zinnetje van Multatuli komt uit een passage (Ideën 40-45) waarin de schrijver nu juist verschil maakt tussen regels die natuurlijk zijn en regels die dat niet zijn. Die laatsten noemt hij ‘dood hout’ en hij zegt dat hij ervan af wil. Dat ‘naar school gaan’ geldt als een nadeel.

Zo ongeveer iedere Nederlandse taalkundige die op Twitter zit begon zich er vervolgens mee te bemoeien. Hoewel taalkundigen zoals bekend het nooit ergens over eens zijn, verandert zoiets kennelijk als er  ineens zomaar een buitenstaander komt vertellen hoe het allemaal zit. Dan worden ze eensgezind redelijk, en beginnen een zeer groot aantal empirische en conceptuele argumenten aan te dragen waarom het wel degelijk zinnig is om verschil te maken tussen kunstmatige en natuurlijke regels in taal: vanuit de dialectologie én het gezond verstand én de neurowetenschappen én de taalverwerving.

Voorzitter

Als er dan zo’n argument werd gegeven, schreef Plasterk “ik geloof daar niet in”, en noemde het zojuist empirisch gemaakte onderscheid tussen die twee regels “mystiek”. Tot een van ons ten einde raad verzuchtte :

Toen was Plasterk beledigd: “als we elkaar van onkunde gaan betichten houdt [het] gesprek op”.

De Wet van Twitter luidt: als iemand zoiets zegt, gaat het gesprek natuurlijk pas beginnen. Het eigenaardige was dat Plasterk zelfs meende te kunnen uitleggen waarom hij wel degelijk gekwalificeerd was om zijn gevoel tegenover onze feiten te stellen: hij was drie jaar lang voorzitter van de Taalunie geweest.

Interlingua

Nu is de Taalunie een overheidsorganisatie die nuttige dingen doet – geld verdelen voor de neerlandistiek in het buitenland, hopelijk ervoor zorgen dat het onderwijs Nederlands op een beter peil komt –, maar wetenschappelijk onderzoek hoort daar niet bij, en al helemaal niet op het niveau van de ‘voorzitter’. Dat is de voorzitter van de Raad van Ministers, uiteindelijk het hoogste gremium van dit overheidsorgaan, die af en toe vergadert, maar ik heb nog nooit gehoord dat daar enorme expertise op het gebied van taal bij komt kijken. Zeggen dat je als voormalig voorzitter van de Taalunie een gekwalificeerde mening hebt over taal, is zeggen dat je als voormalig minister van wetenschappen eigenlijk over alle wetenschappen mee kunt praten, en deze eventueel afdoen als ‘mystiek’.

Affijn, zo ging de discussie nog vele uren door, tot niemand meer wist wie er nu eigenlijk met wie aan het discussiëren was en er allerlei zijtakken ontstonden over de erkenning van het Nedersaksisch en de vraag of het Esperanto nu beter is dan het Interlingua of omgekeerd.

Andere regel

Wat heb je nu aan zo’n discussie, behalve een achternamiddagje lekker keten met een ex-minister? Wat ik, achteraf, echt moeilijk te begrijpen vind is dat iemand die toch gestudeerd heeft en niet dom is, oprecht kan denken dat een eigen gevoel ongeveer evenveel waard is als door deskundigen naar voren gebrachte feiten.

Er zijn dus allerlei soorten feiten dat er een verschil is tussen kunstmatige en natuurlijke regels; het blijkt bijvoorbeeld uit hersenonderzoek, uit dialectonderzoek (hen/hun is nooit doorgedrongen tot in enig Nederlands dialect), uit onderzoek naar hoe kinderen talen leren, uit onderzoek naar het soort fouten dat mensen maken. Het enige dat iemand als Plasterk daar tegenover stelt is dat hij dat verschil niet voelt; dat voor hem het toepassen van hun en hen even natuurlijk gaat als willekeurig welke andere regel.

Taalregels

Ik neem aan dat Plasterk niet de enige is die zo denkt: ik voel het niet, dus al dat wetenschappelijke gedoe is prietpraat. Het eigenaardige is dat dit voor andere verschijnselen vermoedelijk minder geaccepteerd wordt. Stel dat er een wetenschapper zou praten over het feit dat de buikpijn die ik voel deels te maken heeft met processen in mijn hersenen. Je ziet op een scan bijvoorbeeld hersenactiviteit als ik een kramp heb (ik noem maar wat). Zou er dan iemand durven te zeggen dat dit ‘mystiek’ is: je voelt buikpijn in je buik, dus zit het ook alleen maar in je buik? En laat de onderzoekers verder maar praten?

De aanvaring laat ook zien hoe veel werk er te doen is, voor we zover zijn dat ministers van de toekomst op school niet krijgen uitgelegd dat het ‘ik zie hen’ moet zijn en ‘ik geef het boek aan hun’, maar in plaats daarvan dat het zinnig is om verschil te maken tussen kunstmatige en natuurlijke taalregels, dat je altijd iets kunt opsteken van Multatuli en dat ook taal iets is dat – hoe slim je ook bent – niet alleen maar gaat over je ‘gevoel’, maar dat je ook wetenschappelijk kunt benaderen: gegevens verzamelen en daar dan over praten.