Gedicht: Gerrit Achterberg • Heelal

Heelal

Mijn geest gaat met een bonzend hart
over de dagen, want ergens wordt
haar naam bewaard en haar lichaam
is daar ook bij en het verhaal,
slapende, van ons, aan haar zij.

Slapende zonder medelij
en zonder onrust in de armen
der eeuwigheid nu haar voleinding
openligt naar alle zijden.

Gerrit Achterberg (1905-1962)
uit: Afvaart (1931)

———————————–

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Gedicht: Gerrit Achterberg • Heelal

  1. Gert de Jager schreef:

    Voor wie van details houdt: alleen in Afvaart staat in de een na laatste regel ´voleinding´. In het manuscript en in alle verzamelbundels hierna is het ´volein-/ding’. In Varianten bij Achterberg onderscheidt R.L.K. Fokkema drie gevolgen van die keuze. De regels met mannelijk rijm krijgen zo allemaal acht lettergrepen, het ei-rijm komt beter uit en “tenslotte ondersteunt het visuele enjambement de gedane mededeling op eigenaardige wijze: door haar schriftbeeld ‘ligt’ ‘voleinding’ (…) in elk geval ‘open’.”

    De wijze waarop Fokkema een en ander formuleert, doet vermoeden dat iconiciteit in 1973 een omstreden of onbekend fenomeen was. Maar om iconiciteit gaat het volgens mij: de tweede regel heeft negen lettergrepen, de slotregel heeft, net als hier de regel daarvoor, een vrouwelijk ei-rijm. Blijft het derde gevolg over. Achterberg doet zoiets nog één keer: val-/schermtroepen.

    Fokkema’s omslachtigheid doet vermoeden dat de stijlpolitie niet erg welwillend stond tegenover het enjambement binnen een woord. Dat gold wellicht ook voor Achterbergs uitgever in 1931. Toch was het een veel gebruikt stijlmiddel van Achterbergs bijna-tijdgenoot Gorter. Het maakt de dictie van vooral de late Gorter vaak zo onwaarschijnlijk soepel.

Laat een reactie achter