Over ‘bezjoer’

door Jan Stroop

’t Kaartje dat ik op 15 juni op Twitter geplaatst heb, heeft, naast onwaarschijnlijk veel weergaves (tot 10 juli ruim 214.000),  de nodige kritiek gehad. Er klopt een hoop niet, was de strekking. Nu zijn de kaartjes in de Dialectatlas van het Nederlands bedoeld om globaal beeld te geven van de dialectverscheidenheid in ons taalgebied. Niet om de taalwerkelijkheid tot in detail recht te doen. Zeker ook niet de taalwerkelijkheid van 2018.

Dat die taalwerkelijkheid behoorlijk ingewikkeld kan zijn, is te zien aan bijgevoegd kaartje uit 1973, waar ’t gekleurde kaartje uit de Dialectatlas een sterke vereenvoudiging van is. De gegevens uit 1973 zijn meegedeeld door doorgaans oudere  informanten van ’t Meertens Instituut. Ze waren gemiddeld 60 jaar oud. Als we ervan uitgaan dat die informanten eerder de kennis uit hun jonge jaren paraat hebben dan wat ze later hebben opgepikt, mag je aannemen dat hun gegevens de toestand van vlak voor de oorlog weergeven, de jaren 1930 dus.

De vraag waarop de informanten antwoord gegeven hebben, luidt: “Wat is het meest gebruikte groetwoord in uw dialekt, bij het weggaan?”. De antwoorden werden stuk voor stuk op de kaart gezet, met onderstaande kaart als resultaat.  Als je van zo’n kaart vervolgens een vlakkenkaart voor de Dialectatlas wilt maken, moet je drastisch versimpelen. Vooral in gebieden waar meerdere antwoorden gegeven zijn, zie Groningen en Drente, moet je knopen doorhakken en kiezen welke antwoorden je gaat honoreren, welke niet en zo’n  keuze lokt natuurlijk kritiek uit.

Een ander soort kritiek viel onder categorie ‘ongeloof’. Dat ongeloof betrof vooral ’t verspreidingsgebied van bezjoer.  Daar kwamen o.a. de volgende reacties van twitteraars op:
“Nog nooit van bezjoer gehoord…. En ik ben geboren en getogen in Rotterdam”
“Geboren en getogen Rotterdamse maar bezjoer nog nooit van gehoord hoor”
“Bezjoer??? Zegt iemand die jaren in de Bezjoer-zone woonde…”
“Ondanks dat ik in t bezjoer gebied woon heb k dat nog noooit gezegd, zeg altijd dag hoor.”
“Bezjoer nog nooit gehoord, terwijl ik al mijn hele leven in dat gebied woon.” !

En er zijn toch 27 plaatsen waar op de vraag uit vragenlijst 48 met ‘bezjoer’ geantwoord is. Ze staan op de kaart. Ik kan die vragenlijstgegevens nog aanvullen met gegevens uit dialectwoordenboeken; die staan niet op de kaart:
Katwijks:  tot ziens = bezjoer!
Lopiks: tot ziens = sjoer
Streefkerks: tot ziens = sjoer
Hendrik-Ido-Ambachts: tot ziens = sjoer
Flakkees: tot ziens = bezjoer
de Vijfheerenlanden plus West-Betuwe: sjoer = gegroet, komt van ‘bonjour’
Waalwijk: bezjoer! goedendag!, bij afscheid
Maastricht: bezjoer  ‘goeiedag’
(Bron:  http://www.mijnwoordenboek.nl/dialect-vertaler.php?woord=tot%20ziens)

Gegevens via de Dialectenbank:
Thorn: bonjour, bonzjoer, bonjour
Tilburg: bonjour, bezjoer
Helmond en Peelland: bonjour, bezjoer
Hoekse Waard: bonjour, bezjer, bezjoer
(Bron: Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/, gehost door het Meertens Instituut)

Rotterdam schittert hier door afwezigheid. ’t Dialectenbureau had er in 1973 blijkbaar geen correspondenten en er is (nog steeds) geen volwaardig Rotterdams woordenboek. Dat wil niet zeggen dat we met lege handen staan, want we hebben de kaart. Die laat namelijk zien dat nogal wat kleine plaatsen rondom Rotterdam ’t woord bezjoer kennen of in elk geval in 1973 nog kenden. Dat moet een gevolg zijn van Rotterdamse uitstraling, zoals we die zo vaak aantreffen bij grotere cultuurcentra. ’t Omgekeerde, dat Rotterdam ’t leenwoord bonjour van die dorpen heeft overgenomen, is uitgesloten. In die zin is ’t door mij getekende verspreidingsgebied van bezjoer, dat Rotterdam insluit, redelijk realistisch.

Maar er zijn meer bewijsplaatsen die aantonen dat Rotterdam dat bezjoer voorheen wel degelijk gekend heeft. Die vinden we in een paar bellettristische werken die in Rotterdam spelen en waarin Rotterdams gesproken wordt.

’t Eerste werk is de novelle Boefje (1903) van M.  Brusse. Daaruit dit citaat:  “En met ’n grijnzend knikje tegen ’n politie-agent die voorbij kwam: ‘Bezjoer hoed! Bezjoer, met je lekkere vollemaansgezicht…”
Dan Geertje (1917) van Johan de Meester  : “hij kwam toch even naar voren, en groette uit de tuin, Meester met de pet, en Geer: – Bezjoer, hou’je maar taai, Geer!”

In ’t Rotterdamsch Nieuwsblad van 21-05-1894 vond ik een verslag van een bezoek van een Rotterdamse vrouw aan de Tweede Kamer in Den Haag:

“Ze heeft er al gauw genoeg van:  “En nou  ga ik naar Schevelingen, de zee bezichtigen, die is eigenlijk wel zoo mooi…. nou, bezjoer meneer.”  De juffrouw nam haar zaakjes op en liep, langs de hoofdwacht, waar ze wegens de oneerbiedige uitvallen der soldaten nog bijna ruzie had gekregen met een onderofficier — Bè jij ’n fesoendelijk surzjant, zei ze, je mocht je wel schamen over zulke soldaten, je mot bij ons in de groote stad van Rotterdam de mariniers eens komen zien, da’s andere koffie — het Plein over, en verdween in de Binnenhofpoort. Ik heb haar verder niet meer teruggezien.”

Alles bij elkaar blijkt dat bezjoer veel algemener bekend geweest is dan uit mijn kaartje blijkt. Dat was voornamelijk in ’t westen van ons land ’t geval. In Vlaanderen komt bonjour/bezjoer niet voor. Dat is opmerkelijk, want doorgaans komen Franse leenwoorden daar juist  veel voor. Denk aan koezijn, nonkel, velo en vele meer.  ’t Verschil is dat bonjour een andere geschiedenis heeft. De Vlaamse Franse leenwoorden zijn uit ’t aangrenzende Waalse taalgebied overgenomen. Een woord als bonjour  is door de hogere sociale klasse in de Randstad, die naast Nederlands ook Frans sprak, aan ’t Nederlands meegegeven.

De oudste attestatie van ’t Franse leenwoord is uit 1611: “En gaet hy over strate, sy zijn hem niet ghewis, Die hem den bon-jour doen.” (Een claer ende doorluchtich vertooch van d’Alckmaersche kerckelicke gheschillen, Adolphus Venator). Bonjour is hier een begroeting bij ontmoeting.

Er zijn wel meer vindplaatsen van dit bonsoir maar dan staat ’t woord in een Frans zinnetje, zoals hier: “Savonts inde maneschijn,/ Vandt ickse inde deur/  Bon soir ma maistresse / Bonjour mon serviteur.” (Nieu groot Amstelredams liedt-boeck, 1605).  Dat telt niet mee, vind ik.

’t Spreken van  Frans was een modieus verschijnsel, dat ook vaak ’t mikpunt van spot was:
De Jongh-mans hedens-daeghs
Leeren wat Hoofs of Haeghs
En Franse Complementen,
Te Leyen gaet het groff
Daer studeren de Studenten
Niet als in dese stof.
Het nieuwste Complement
Daer men mee komt gerent,
Is dit je vous presente
Le bonsoir ou bonjour,
Ou ce que vous contente
Mon Caeur & mon amour.
(Haerlemsche Winter-Bloempjes Op-geoffert Aen de Vreugd-lievende Nymphjes, Gepluct uyt ‘et Breyn van verscheyden Rijmers, 1647. Anthony Jansen, B. Targier)

Dit liedje moet enorm populair geweest zijn, want ’t is ook opgenomen in liedboekjes uit andere plaatsen. En dat overkwam veel van dit soort lichtvoetige liedjes.

De spotternij met ’t Frans betrof ’t spreken van Franse of quasi-Franse zinnetjes, niet ’t gebruik van ’t simpele bonjour. Dat volgt misschien uit deze regels uit een klucht, die helemaal in ’t Nederlands is en waarbij de aanspreking van respect getuigt of die tenminste veinst.

“Dirk. Kom late wy hem veel geluk wenschen, en spreken hem an.
Sym. Bonjour, mon mestre, veel geluks; hoe kan u dezen staat al behagen?”
(Klucht van de qua grieten, 1729,  Anoniem).

Terwijl ’t Franse woord bonjour gebruikt wordt om te groeten, bij een ontmoeting of binnenkomst bijvoorbeeld, is bonjour in ’t Nederlands ook afscheidsgroet geworden. Dit is ’t oudste voorbeeld, dat ik gevonden heb:
“Belaglyk is de tyd verspild,
Die men met vreyen slyt,
Zingd liever als Prins Willem Zong,
Boutelje mon Amour,
De wyn maekt gryze hairen jong,
Ik zeg de Meyd Bonjour.”
(1745,  an. Apollo’s Nieuwe-Jaers-Gift. Aen Het Bekoorlyke Hollandsche Jufferschap).

En nog een:
“Ik wensche een goede leeve,
Bonjour met malkaar,
Blyve gezond nog lange Jaar,”
(A la Zoutmans victorie, bevogten door de Hollanders op de Engelsche. Voorgevallen op de Doggersbank, in de Noordzee, den 5. Augustus 1781-1782).

Deze betekenisontwikkelingen heeft ook ’t Nederlandse werkwoord  (uit)bonjouren opgeleverd. Oudste vindplaats:  Wolff en Deken, Willem Leevend 1, 258 [1784].

De taal van de ‘betere’ kringen, in ’t bijzonder de Franse leenwoorden, is ook doorgedrongen in andere sociale klassen. Verdam schrijft erover in zijn Uit de geschiedenis der Nederlandsche taal: “En tot deze beschaafde kringen bleef de gewoonte om Fransche woorden te gebruiken niet beperkt: door de bekende navolgingszucht drong zij ook door tot de lagere kringen der maatschappij, die geen Fransch verstonden, ten gevolge waarvan zij aan allerlei vervormingen en verknoeiïngen blootstonden; zie de voorbeelden op bl. 211.” Tot de voorbeelden die Verdam daar noemt behoort: besoer (voor ‘bonjour’).

In  1916  presenteerde de grote Jac. Van Ginneken zijn idee over de rol van ‘De schoondochters in de taalgeschiedenis’ (https://www.dbnl.org/tekst/_taa008191601_01/_taa008191601_01_0001.php).  Dat bracht mij op de gedachte dat bij een ontlening van een woord uit de hogere taalregionen dienstmeisjes een belangrijke rol gespeeld kunnen hebben. Ze waren, doordat ze verkeerden met de ‘betere kringen’, ideale tussenpersonen tussen dat milieu en ’t milieu waar ze zelf uit afkomstig waren en waarmee ze contact hielden.

Er was nog een ander pad van overdracht, aldus Harm Hillinga: “Veel dienstbodes profiteren later van de ervaringen die ze in betrekking hebben opgedaan en kunnen daardoor hun gezin meer geven dan ze vroeger thuis hebben meegekregen.” Jammer dat door de veranderde maatschappelijke verhoudingen een onderzoek niet meer mogelijk is.

Dat ’t bezjoer in de dialecten een voorbeeld is van ‘gezonken’ cultuurgoed maakt Salomon van  Rusting duidelijk in zijn Barbarologia, ofte Boeren-Latyn. So als by Voorname Boeren, en sommige Stedelingen, in Zuid- en Noort-Hollant, seer geleerdelijk van haar gesproken wort (1733).  Hij geeft daarin een lijst van woorden, met daarbij de volkse uitspraak, aldus: Bonjour, besjoer, besoer.

De schrijfwijzen besjoer en besoer staan hier is voor de volkse uitspraak, die meestal als bezjoer genoteerd werd. Wat de medeklinker zj  betreft is dat een geslaagde imitatie van de Franse ʒ in [bɔ̃ʒuʁ]. De eerste lettergreep, die zwak betoond is, onderging een reductie die we vaker aantreffen bij Franse leenwoorden: ventiel wordt fetiel, kantoor wordt ketoor en penseel peseel.  In ’t Midden-Nederlandse gebied (Lopik, Streefkerk, enz.) is de eerste lettergreep helemaal weg gereduceerd, waarna de zj stemloos werd: sj, sjoer.

De vorm bezjoer als afscheidsgroet is op zijn retour. Als we de gegevens uit de bronnen rond 1900 vergelijken met die van ’t kaartje uit 1973 en die weer met ’t kaartje uit 2008,  waar ik twee gegevens tel,  zien we een doorlopende achteruitgang. Daar sluiten de hierboven geciteerde opmerkingen van de twitteraars bij aan. Ik kan niet anders dan concluderen dat er van dat bezjoer in de hedendaagse Nederlandse dialecten niets meer over is. ’t Is afgelopen, dus voor ’t laatst:  bezjoer!