Zin en vooral onzin van een ‘Buitenlands Studieverblijf’

Door Freek Van de Velde

Afgelopen donderdag stond er een stuk van Lucas Seuren op Neerlandistiek, waarin hij advies gaf over wat je moet doen om aan een vaste aanstelling te komen aan een universiteit. Hij had een paar nuttige wenken, en gaf toe dat je ook stomweg een portie geluk moet hebben. Maar er stond ook iets in over ‘een buitenlandverblijf’. Seuren zei het zo:

En in Godsnaam—en ik kan dit niet genoeg benadrukken—ga een aantal maanden in het buitenland aan de slag. Ik heb een paar maanden in York doorgebracht om fonetiek te leren en later een half jaar in Los Angeles om wat aan mijn kennis van sociologie en antropologie te doen, waarbij ik veel heb samengewerkt met de locals. Je leert op een nieuwe manier naar je onderzoek kijken, doet legio contacten op, en je ziet nog eens wat van de wereld.

Ik kan Seuren bijtreden in zijn advies aan jonge collega’s. Maar dan niet omdat zo’n buitenlandverblijf zo nuttig zou zijn. Wel omdat beoordelingscommissies er belang aan hechten.

Persoonlijk erger ik me al geruime tijd aan het blind gedweep met ‘Het Buitenland’.

Soms is buitenlandervaring evident nuttig: als je infrastructuur moet gebruiken die je thuis niet hebt: een deeltjesversneller, een telescoop, archeologische artefacten, chimpansees in een primatencentrum, noem maar op. (Maar dan nog: zo’n telescoop valt tegenwoordig waarschijnlijk net zo goed te richten op een sterrenstelsel naar keuze, vanuit een kamer met een laptop en internetverbinding. Echt zelf door zo’n telescoop turen lijkt me iets wat je vooral in Kuifjesalbums ziet.) En ik kan me ook nog iets voorstellen bij veldonderzoekers die informanten in hun natuurlijke omgeving willen ondervragen, bijvoorbeeld in het Amazonebekken, of op de Siberische taiga.

Maar over dat soort buitenlandervaring gaat het niet. Bij het type studieverblijven waarover Seuren het heeft, gaat een onderzoeker een paar maanden hokken in een andere universiteit, waar die dan precies hetzelfde soort werk gaat doen als hij thuis doet. Ik heb eigenlijk nog nooit een overtuigend argument gehoord waarom zo’n buitenlandverblijf een grote meerwaarde zou bieden. Ik overloop enige bezwaren bij wat ik zie als vermeende voordelen:

Een frisse blik

Het eerste argument dat enthousiaste verdedigers van ‘Het Buitenlandverblijf’ onveranderlijk van stal halen is: “Het verruimt je blik.” Daar geloof ik eigenlijk niet veel van. Hoezo gaat je blikveld open? Als je het aan die enthousiastelingen vraagt, komen ze vaak niet verder dan een heel vage notie over “verschillende onderzoeksculturen” in het buitenland. Mij valt juist op hoe vergelijkbaar buitenlandse universiteiten zijn. Onderzoek van bijvoorbeeld Jonathan Haidt laat zien dat academici uit verschillende landen méér op elkaar lijken dan dat ze lijken op mensen met een andere socio-economische achtergrond in de eigen achtertuin. Ga je als doctoraatsstudent van Nederland naar Duitsland, of van België naar Engeland, dan is het, op wat meer gezeur over vermeend racisme in de Angelsaksische landen na, alsof je de lift naar een andere verdieping van je eigen gebouw hebt genomen. En dat geldt a fortiori voor onderzoekers in de neerlandistiek die van België naar Nederland gaan of omgekeerd. Natuurlijk zijn er kleine, boeiende verschillen, die grappige anekdotes opleveren. Maar ik wacht nog steeds op een studie die aantoont dat je wereldbeeld plots helemaal anders wordt van een paar maandjes Boston of Cambridge.

Beter cv

Het tweede argument dat je van de believers in Het Buitenlandverblijf hoort, is een of andere variant van: “onderzoek toont aan dat onderzoekers met buitenlandervaring later een betere carrière hebben”, en dan komen ze óf met anekdotische voorbeelden, óf met een rapport waar een beleidsmedewerker dat met een statistiekje heeft nagerekend. Ik heb geen enkele moeite te geloven dat die correlatie er is. Maar dat wil helemaal niet zeggen dat je in het buitenland een betere onderzoeker wordt. Je hebt hier te maken met het voordehandliggende probleem van post-hoc-ergo-propter-hoc. Het is namelijk heel goed mogelijk dat je ziet dat gedrevener types betere cv’s hebben én in hun ambitie ook gemakkelijker hebben en houden achterlaten voor een buitenlandverblijf. Om echt te weten of dat buitenlandverblijf de oorzaak is van hun betere prestaties zou je een studie moeten uitvoeren waarin je de buitenlandgangers vergelijkt met een controlegroep die thuisblijft en die op alle andere vlakken vergelijkbaar is met die buitenlandgangers. Als zo’n studie bestaat, dan hoor ik het graag. Ik ben nog nooit een verdediger van Het Buitenlandverblijf tegengekomen die me er een kon aanwijzen.

Maar laten we er nu even van uitgaan dat zo’n studie bestaat, en dat die een duidelijke verschil laat zien van het type: buitenlandgangers hebben later een beter cv dan een vergelijkbare groep thuisblijvers. Dan weet je eigenlijk nog altijd niet hoe het zit. Als beoordelings- en aanstellingscommissies een buitenlandverblijf als selectiecriterium hanteren, dan is het nogal wiedes dat mensen die zo’n verblijf doen, het ook beter doen op de arbeidsmarkt. Dit is een duidelijk geval van de Wet van Goodhart: als een meetinstrument een doel wordt, dan wordt het waardeloos als meetinstrument. Als iemand morgen in alle commissies zit waar subsidies verdeeld worden, en als eis stelt dat subsidies vooral moeten gaan naar blonde mensen, dan zal je binnen de kortste keren merken dat blonde mensen veel meer subsidiegeld ophalen. Het is nogal stupide om dan te zeggen: ‘Zie je wel, ik had helemaal gelijk met mijn overtuiging dat blonde mensen beter zijn, dus die eis was nog niet zo stom’. En je zult ook zien dat mensen hun haar gaan blonderen, ook als hun dat niet lekker zit.

Ongestoord doorwerken

Derde argument: in het buitenland kun je ongestoord doorwerken aan je onderzoek. Je hoeft geen colleges te geven en je hoeft niet naar vervelende vergaderingen. Ook dat zal wel kloppen, maar het is natuurlijk geen goed argument om mensen naar het buitenland te sturen. Hetzelfde effect kun je bereiken door als onderzoeker thuis te werken of desnoods een studieverblijf in een slotklooster te doen. Op die manier heeft Andrew Wiles het laatste theorema van Fermat opgelost. Gewoon een paar jaar thuiszitten en de deurbel negeren.

Dat derde argument is eigenlijk een wat gematigder versie van iemand die z’n voet amputeert als oplossing voor een ingegroeide teennagel.

De grote mythe

In de middeleeuwen was het vaak noodzakelijk om te reizen als academicus: boeken waren fysiek elders gestationeerd, en lagen vaak letterlijk aan de ketting, en om kennis op te doen moest je gaan luisteren naar buitenlandse hoogleraren want er bestonden geen gedrukte handboeken. Nu is alles op het internet voorhanden. Of met het razendsnelle interbibliothecaire leenverkeer. Wie het Gotisch in de legendarische Codex Argenteus wil lezen moet niet naar Uppsala, maar kan de hoge-resolutie-scans op het internet bekijken, en als je de working papers wil lezen van een geleerde in je veld, dan kun je die downloaden. Als je wil overleggen kan dat via Skype, of je nodigt een collega voor een weekje uit.

Kant is nooit buiten Königsberg geweest, wat hem niet belet heeft een wereldomspannende filosofie te ontwikkelen, en de wereldkaart van Ptolemaeus uit 150 ad gold ruim 1000 jaar lang als het neusje van de zalm, terwijl de man waarschijnlijk nooit buiten Alexandrië geweest is. En zelfs als je een grote wetenschapper hebt die voordeel heeft gehad van een buitenlandse reis, dan was het niet altijd een pretje: Charles Darwin heeft na zijn reis op de HMS Beagle met de vervelende kapitein Robert FitzRoy nooit meer op zo’n schip willen meereizen.

Let op: ik beweer niet dat je geen internationaal netwerk moet hebben, of dat je niet razend interessant onderzoek kunt doen in het buitenland. Ik beweer wél dat een semesterieel buitenlandverblijf een vrij onhandig middel is om zoiets te doen. Je kunt veel beter twaalf keer één week op congres gaan, en het daar dag in dag uit over onderzoek hebben, dan drie maanden in een kamertje te gaan zitten aan de universiteit van pakweg Helsinki, om daar drie keer een uurtje met de toch veel te drukke lokale goeroe te praten, en drie aardige collega’s te leren kennen met wie je gaat lunchen. Je hebt er een heerlijke tijd – dat kan ik uit eerste hand getuigen – maar je moet je de vraag stellen of het belastingsgeld dat in dergelijke verblijven gepompt wordt, en het leed van thuisblijvende echtgenoten met kinderen, wel in verhouding staan tot de winst van zo’n buitenlandverblijf.

De potsierlijke fetisj van Het Buitenlandverblijf gaat soms gepaard met de nodige ironie. Het Vlaamse Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) maakt grote budgetten vrij voor gerenommeerde onderzoekers die in Het Buitenland carrière gemaakt hebben, in hun “Odysseusprogramma”. Ik weet niet of de bedenkers van dat programma veel hebben opgestoken tijdens de lessen Grieks, want Homeros vertelt hoe Odysseus helemaal niet naar Troje wou, en dat hij, eenmaal daar, zo snel mogelijk naar huis wou. Als de nijdige Poseidon hem niet had lopen treiteren, dan had hij na een weekje zeilen weer in Ithaka voor het haardvuur gezeten. Als er één literaire held is, die gekant was tegen Het Buitenlandverblijf, dan was het Odysseus wel.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.

2 reacties op Zin en vooral onzin van een ‘Buitenlands Studieverblijf’

  1. Lucas schreef:

    Ik vind je kritische blik deels terecht, maar deels geef je een verkeerd beeld. Ik heb aan UCLA bijvoorbeeld helemaal niet eenzaam op een kantoortje gezeten, het tegenovergestelde: ik heb vakken gevolgd, lezingen gegeven, wekelijkse besprekingen gedaan met de lokale profs, lezingen bijgewoond, etc. Geen periode heb ik zo hard gewerkt als daar. Juist daarin schuilt denk ik de meerwaarde (al is het zoals je terecht opmerkt nog altijd anekdotisch).

    Je leert veel van nieuwe perspectieven, nieuwe manieren van analyse doen, naar data kijken. Als je almaar met dezelfde mensen werkt beperkt dat je blik, je groeit snel vast in bepaalde denkbeelden. Ik heb dingen geleerd, die ik nooit in Groningen had kunnen leren. Ik ben absoluut een beter onderzoeker en ook vooral een beter schrijver geworden. En natuurlijk een beter netwerk.

    Dat bereik je niet met congresbezoeken. Sterker nog, congressen zijn sterk overgewaardeerd in mijn ervaring. Iedereen wil wat van iedereen, waardoor de tijd beperkt is. Echte verdieping is er amper bij, en door de drukte krijg je weinig gedaan. Ze vervullen hun functie, begrijp me niet verkeerd, maar die functie is volstrekt anders dan een langdurig buitenlandverblijf.

    Ik ben het met je eens, buitenland om het buitenland is onzin. Maar als je zorgt dat je komt te werken aan een instituut waar je nieuwe dingen kunt leren, dan draagt het voor de promovendus cruciaal bij aan de academische vorming.

    Voor de meerwaarde later in de carrière heb ik geen mening, bij gebrek aan kennis en ervaring 🙂

  2. Freek Van de Velde schreef:

    Bedankt voor je reactie, Lucas. Ik trek die helemaal niet in twijfel. Ik ken nog meer mensen die fantastische dingen gedaan hebben in het buitenland. Maar er is, in de rapportage, een selection bias: je hoort heel weinig over teleurstellingen in het buitenland, terwijl die legio zijn. De meeste mensen komen in mijn ervaring terug zonder nieuwe methodes of inzichten die ze niet net zo goed uit een boek, of van een online cursus hadden kunnen opdoen. Wat congressen betreft: die vind ik juist enorm nuttig. Ik heb een vrij uitgebreid internationaal netwerk, en heb ook gecopubliceerd met auteurs uit andere landen. Letterlijk ELK van deze samenwerkingen zijn ooit op congressen begonnen. Je hebt elkaars lezing gezien, je praat na tijdens de koffie, je trekt een paar dagen samen op, en na afloop – voor het echte werk – bezoek je elkaar eens een paar dagen. Maar dat is helemaal iets anders dan een buitenlandverblijf. En stel nu nog dat slechts één op tien congressen nuttig is. Dan nog is dat hetzelfde als één nuttig studieverblijf van drie maanden.

Reacties zijn gesloten.