Zieltogen

Door Michiel de Vaan

zieltogen ww. ‘op sterven liggen’

Middelnederlands sieltōghen ‘de laatste adem uitblazen, in doodsstrijd liggen’ (1455–1465, in Devote oefeninge van Brugman: Ooc sach se hem bleeck werden ende sieltoghen, ende in dat leste saghen se hem … sinen geest geven); met Gelderse overgang o > a in Teuthonista (1477) syeltaighen ww., syeltaigher ‘die op sterven ligt’, syeltaighyng ‘doodsstrijd’. Sporadisch komt de variant zieltijgen voor (Hooft, 1635), met preteritum zieltoech (1491, Leven van Sinte Clara).

Vroegnieuwnl. sieltoghen ‘op sterven liggen’ (1561), zieltogen (1618); vanaf de 17e eeuw ook overdrachtelijk ‘noodlijdend zijn, wegkwijnen’. Kiliaan kent ook het synoniem sielbraecken ‘= doodbraecken, zieltogen’. Finiete vormen zoals hij, gij zieltoocht komen zelden voor, maar wel bij Bredero en Vondel. Met –e- zeldzaam, dichterlijk, zieletogen (1753).

Verwante vormen: Middelnederduits sēl(e)tōgen, –tagen ww., seletoginge ‚doodsstrijd‘. Nieuwnederduits seeltagen, seeltögen, verhoogduitst seelzagen.

Samenstelling van ziel en togen ‘trekken’, een Germaans zwak ww. *tugōn dat met tijgen verwant is. De Oostnl. en Nederduitse vormen met -tagen wijzen expliciet op *tug, het kan dus niet om het ww. togen gaan met de betekenis ‘tonen’, dat uit *taugjan- komt. In zieltogen moet togen worden opgevat als het onovergankelijke ‘trekken, zich begeven naar’, de ziel ‘trekt’ dus ‘weg’.

Het enige andere ww. dat uit een zn. en togen bestaat, is Nnl. ademtogen (1623), aemtoghen (1661) ‘ademhalen’, maar daarin is adem lijdend voorwerp. Wobbe de Vries (1925: 200) opperde dat zieltogen een kruising van ademtogen ‘adem trekken’ en sielbraecken ‘de ziel opgeven’ is. Maar zieltogen is meer dan 150 jaar voor ademtogen geattesteerd, en sielbraecken zeer zeldzaam.

Literatuur

de Vries, Wobbe. 1925. Etymologische aanteekeningen (vervolg). TNTL 44, 192–206.

Dit bericht is geplaatst in taalkunde met de tags , . Bookmark de permalink.