wurgen

Door Michiel de Vaan

wurgen ww. ‘de keel dichtknijpen’

Vroegmiddelnl. verworgen ‘wurgen’ (1240), worgen ‘bij de keel grijpen’ (1291–1300), ghewurghet ‘gewurgd’; Middelnl. worgen, verworgen ook onovergankelijk ‘stikken, smoren’, (1479). Nieuwnl. worgen (1510), gewercht (1573), wurgen (1617). Nog rond 1900 geldt worgen ook in het Noordnederlands als de standaardvariant, na 1950 wordt wurgen frequenter dan worgen in in de schrijftaal (bron: n-gram viewer, dbnl.org).

De vorm met -ur- is ontstaan uit -or- onder voorwaarde van een volgende lip- of keelmedeklinker, vgl. slurpen, wurm, snurken naast slorpen, worm, snorken. Het is goed mogelijk dat zich onder de Mnl. vormen met -or- ook zulke bevinden die met –ur- werden uitgesproken, aan de schrijfwijze met or is dat in het midden en oosten van het taalgebied niet te zien. Ik vind geen gedetailleerd overzicht van het woord in moderne dialecten, maar als we de situatie bij het rijmende zorgen in ogenschouw nemen, verwachten we de vormen met -u- in grote delen van het taalgebied maar –o- in West-Vlaanderen, Holland, Overijssel en de Achterhoek.

Verwante vormen: Oudsaksisch *wurgian ‘wurgen’, wurgarin ‘worgster’, wurgil ‘strik, lus’, Middelnederd. worgen ‘wurgen’, worgel ‘bitterheid (die de keel doet samentrekken)’, Oudhoogduits wurgen ‘wurgen, doden’, worgal ‘het stikken’, Mhd. wergen ‘wurgen’, worgen ‘stikken’, Mhd. würgel ‘beul’, Mhd. Nhd. würgen ‘wurgen’, Oudfries wergia, wirgia ‘doden’, Oudengels wyrgan ‘wurgen, doden’, MoE worry ‘bezorgd zijn’. Verder Oudnoors urga v. ‘strik, lus’, urga ww. ‘klemmen, wrijven’, virgill m. ‘strik, lus’.

De meeste Westgm. werkwoorden zetten Proto-Germaans *wurgjan ‘wurgen’ voort, uit PIE *urǵh-je- ‘binden, snoeren’. Daarbij hoorde een afleiding *wurgila- ‘wurger’, ‘wurgend, strik’. Mhd. wergen, erwergen, indien niet uit een ontrondend dialect, zet een voltrap *werg- voort die ook in ON virgill < *wergila- zit. Oudnoors urga berust op een zn. *wurgōn- (Kroonen 2013: 600). De Germaanse familie kan verbonden worden met PIE *werǵh ‘binden’ zoals voortgezet in Litouws ver̃žti ‘aantrekken, insnoeren’, Oudkerkslavisch –vrěsti ‘binden’, Albanees z-vjerdh ‘ont-wennen’. Van deze wortel was ook een presensstam met n-infix afgeleid, PIE *wrenǵh, waarvan Nl. wringen afstamt en waar ook wrang ‘zuur’, oorspronkelijk ‘verdraaid’, mee verwant is.