Onpersoonlijke bevelen

Door Marc van Oostendorp

De Algemene Nederlandse Spraakkunst, de grootste Nederlandstalige grammatica die we hebben, heeft in de afgelopen decennia in menig huisgezin grote verwarring gezaaid door de mededeling die ze doet over vormen zoals ‘Niet doen!’, waarin een onbepaalde wijs (doen) wordt gebruikt in plaats van een gebiedende wijs (Doe niet!). De ANS zegt daarover namelijk:

Dit gebruik komt vooral veel voor in opschriften, wanneer de aanspreking niet tot een bepaalde persoon gericht is. (…) Voorbeelden:

(12) Doorlopen!
(13) A.u.b. geen fietsen tegen het raam plaatsen.
(14) Niets buiten steken.
(15) Niet roken.
(16) (Op een deur: ) Duwen /Trekken.
(17) Voor gebruik schudden.

De grootste Engelstalige grammatica van het Nederlands, het Taalportaal, neemt dat idee over en zegt dat dit misschien te maken heeft met het feit dat deze vormen wat beleefder zijn dan gewone gebiedende wijzen (‘Doorlopen!’ is beleefder dan ‘Loop door!’). Waarom je vooral op aanplakbiljetten beleefd zou zijn, vermeldt het Taalportaal niet.

Hard leren

De ANS is inmiddels al best oud (en wordt achter de schermen upgedeet), maar Taalportaal negeert hierbij dat er toch wel wat literatuur over het onderwerp is, die in dit (ook niet eens meer zo recente) artikel wordt samengevat. De schrijver laat in de eerste plaats zien dat de vorm in allerlei contexten wordt gebruikt, en heus niet alleen of vooral in opschriften. Maar er is wel een duidelijke voorkeur voor sommige contexten boven andere.

Een belangrijk onderscheid bij de studie van de gebiedende wijs  is dat tussen wat ik nu maar ‘gebieden’ en ‘aanbevelen’ noem. Bij een gebod ligt het belang van het uitvoeren vooral bij de spreker (‘Steek je haar in de brand, dan kunnen we lachen’), bij een aanbeveling vooral bij de hoorder (‘Hard studeren, dan komt het allemaal terecht!’)

Instantie

De onbepaalde wijzen blijken vooral te worden gebruikt voor aanbevelingen. Ik denk dat dit op zijn beurt kan verklaren waarom het Taalportaal ze ‘beleefder’ vindt. Wie ‘Niet roken!’ op de muur zet, cijfert zich een beetje weg: je schrijft dat niet voor jezelf. Het kan dan misschien ook verklaren waarom de schrijvers van de ANS het met ‘opschriften’ associëren: dat zijn natuurlijk bij uitstek anonieme, auteursloze teksten.

Maar die voorkeur voor aanbevelingen is ook een beetje in tegenspraak met wat de ANS zegt: het is niet zozeer de persoon tot wie de tekst gericht is die ‘onbepaald’ blijft, de lezer of hoorder, maar juist degene van wie de tekst uitgaat, de spreker of schrijver. Wie zich aan het voorschrift moet houden is duidelijk: degene die het leest. Alleen de instantie die het gebod doet uitgaan blijft anoniem.