Gedicht: Guido Gezelle – Zonnewende

Zonnewende

Een blomken heb ik staan, nabij
me, in de oude boekenzale,
dat altijd, naar den dag toe, keert
zijn’ blaârkes, altemale;
het wenden mag ik zus of zoo,
dat ik begere volgt het noo*,
en ‘t zoekt, weerom naar mij gericht,
nog altijd liever ‘t zonnelicht!

Och, ware ik als dat blomken is,
in al mijn doen en laten,
mijn zorgen, mijn bekommernis,
in huis en achter straten:
‘t zij wat men doet of niet en doet,
‘t zij wat ik immer lijden moet,
naar u, met herte en ziel, gericht,
o alverzettend zonnelicht!

‘t Is duister nu en zwaar, te mets*,
omtrent mij: oude kwalen
en nieuwe, doen, van zielgekwets,
mij moe zijn, menigmalen,
tot dat, o God, naar U gewend,
mijn’ duisterheid den dag erkent,
en ziende U, met mijne oogen dicht,
ik asem hale, in ‘t zonnelicht.

Guido Gezelle (1830-1899)

noo = ongaarne
te mets = nu en dan

———————————–

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.