wuft

Door Michiel de Vaan

wuft bn. ‘frivool’

Mnl. wijft ‘beweeglijk’ (1475–1495), Nnl. wift ‘beweeglijk, onbezonnen, lichtzinnig’ (1562), bw. wifjes ‘op levendige wijze’ (1659); met -u- Nnl. wuft ‘beweeglijk; dwalend, zwervend; lichtzinnig, onbestendig’ (1602), zelden wuf (1624). De u-vormen lijken vooral Hollands. Dialecten: Gronings, Oostfries wif ‘beweeglijk, wispelturig, dartel, schichtig’.

Verwante vormen: MoWFri. wif ‘wankel, beweeglijk, wisselvallig’.

Oorspronkelijk wif, voorzien van paragogische -t zoals in bruiloft; de klinker i werd gerond tot u onder invloed van de w-. Blijkbaar een geografisch beperkte afleiding *wiba- bij het ww. Nnl. wibbelen wiebelen’, afgeleid van een Germaanse wortel *weib-, *waib-, *wib- ‘zwaaien, slingeren’. Andere woorden die daarbij horen zijn Nl. wuiven (< PGm. *waibjan, zo ook Oudhd. ziweiban ‘verspreiden’, Oudengels wǣfan ‘kleden’, Oudnoors veifa ‘zwaaien, slingeren, gooien’, Gotisch biwaibjan ‘omwikkelen’), Nl. weifelen (*waibilōn), en Oudhooghd. weibōn ‘heen en weer bewegen, zweven’, OE wāfian ‘zwaaien’ (*waibōn).

Afkomstig van de Proto-Indo-Europese wortel *weip-, *woip- ‘trillen, schudden, gooien’, waarvan o.a. Sanskrit vépate ‘beeft, trilt’ en Avestisch vaēpaiia- ‘gooien’, vifiia- ‘heftig schudden, ontucht bedrijven’. Zoals zo vaak zijn er in het Germaans ook varianten met stemloze *p(p) ontstaan, waaruit Nl. wippen en Middelhoogduits wīfen ‘winden, slingeren’, wif m. ‘snelle beweging’, Nhd. Weife ‘Haspel’.

 

Dit bericht is geplaatst in taalkunde met de tags , . Bookmark de permalink.

2 reacties op wuft

  1. Anton schreef:

    Wijf is hier moeilijk van te scheiden, en al even lastig om te verklaren.

    • Olivier van Renswoude schreef:

      Mede gezien Oudhoogduits weibil ‘gerechtsbode’ (eigenlijk ‘iemand die heen en weer gaat’) houd ik rekening met de mogelijkheid dat wijf oorspronkelijk ‘nijverheid’ o.i.d. betekende, gebeurlijk ontstaan in dichterlijke tegenstelling tot wapen, zoals bewaard gebleven in Oudengels wífmann and wǽpnmann (nevenvormen wǽpmann, wǽpnedmann).

      Op dezelfde wijze is Oudsaksisch idis ‘vrouw’ te herleiden tot de wortel van IJslands iðinn ‘nijver’, iðni ‘nijverheid, hard werk’, iðn ‘handwerk’, ‘voortdurende beweging’ en iða ‘rusteloos in beweging zijn’ (de evenknie van Latijn itō ‘gaan’). Ik zie niet genoeg reden om met Guus Kroonen aan te nemen dat idis een onregelmatige evenknie van Oudnoords dís is en aldus van pre-Indo-Europese herkomst.

Reacties zijn gesloten.