Wie mag wanneer praten in een groep?

Door Lucas Seuren

Al onze gesprekken zijn gestructureerd via een systeem van beurtwisseling: (i) we praten om de beurt, (ii) waarbij stiltes tussen beurten kort zijn. Hoe krijgen we dat voor elkaar? In een-op-een gesprekken is dat redelijk simpel. Op elk punt waar een beurt grammaticaal, prosodisch, en pragmatisch mogelijk compleet is, is er ruimte voor beurtoverdracht. Met andere woorden, als een spreker mogelijk klaar is met zijn beurt, wordt de hoorder, en er is er maar één, de nieuwe spreker. (In werkelijkheid gaat het niet altijd zo soepel, maar problemen worden veelal razendsnel opgelost.) Maar hoe moet dat dan in gesprekken waar drie of nog meer mensen aan deelnemen? Plots zijn er meerdere hoorders die potentieel de volgende spreker kunnen en misschien zelfs willen worden. Hoe lossen we het dan op?

Blikrichting

Een aantal onderzoekers in Australië heeft geprobeerd die vraag te beantwoorden voor een aantal Aboriginaltalen, of wat preciezer geformuleerd, voor culturen waarin die talen gesproken worden: Murrinhpatha, Garrwa, Gija, en Jaru. In een recent verschenen studie onderzoeken ze het belang talige factoren zoals aanspreekvormen, pragmatische factoren zoals wie de expert is, en lichaamssignalen zoals blikrichting. Door puur te kijken naar beurtovergang na “grammaticale vragen”, uitingen met een vragende woordvolgorde zoals het gebruik van vraagwoorden, stellen ze dat sprekers met blikrichting duidelijk kunnen maken tegen wie ze praten en wie de volgende spreker moet zijn.

Tegelijkertijd helpt blikrichting om duidelijk te maken dat er überhaupt een hoorder geselecteerd is om te reageren: na een onbeantwoorde vraag kan de spreker een specifieke hoorder aankijken, waarna de vraag herhaald wordt. En dan volgt er wel een antwoord. Sterker nog, ze claimen dat blikrichting en expertise belangrijker kunnen zijn dan de grammaticale vorm van een beurt om te bepalen of er gereageerd moet worden, en zo ja, wie er moet reageren.

Arrangeren

Aangezien blikrichting zo belangrijk is, is de manier waarop groepen gearrangeerd zijn natuurlijk een belangrijke factor voor hoe soepel of stroef beurtwisseling gaat. In een ideale situatie, ook wel een F-formatie genoemd, kunnen alle sprekers zonder al te veel moeite elkaar aankijken. Als we rechte lijnen van spreker tot spreker trekken, zit ieder op de hoek van de geometrische vorm; bij drie sprekers een driehoek, bij vier een vierkant, etc. De werkelijkheid is wat flexibeler natuurlijk, maar zolang we ons niet in rare bochten hoeven te wringen werkt alles goed. Een halve cirkel of L-vorm zijn dus ook prima. En dat is nu net waar het soms misgaat; als de sprekers zitten op een manier waardoor elkaar aankijken lastig of zelfs onmogelijk is, dan wordt het voor de gespreksdeelnemers lastiger om beurtwisseling te regelen. Je moet de spreker immers kunnen zien om te weten of je wordt aangekeken, of dat de spreker iemand anders aankijkt, of zelfs zijn of haar blik geheel heeft afgewend.

Verschillende sprekersarrangementen: links de prototypische F-formatie, in het midden een L-vorm en rechts een halve cirkel (Blythe et al., 2018: 6)

Hoewel de bevindingen van het onderzoek interessant zijn en inzichten bieden in beurtwisseling in verschillende culturen, ligt er een belangrijke vraag open: in hoeverre is blikrichting een techniek om een spreker te selecteren, en in hoeverre kijken we gewoon naar de mensen die we aanspreken. Met andere woorden, is er sprake van correlatie of causatie? Dit is natuurlijk geen nieuwe vraag, maar het antwoord is niet zo simpel.

Selecteren

Laat ik een vergelijking trekken met mijn huidige onderzoek. Ik bestudeer besluitvorming in wat we multidisciplinaire overleggen noemen; besluitvormingsgesprekken tussen medisch specialisten, veelal ondersteund door medici in opleiding zoals een AIOS. In deze gesprekken worden differentiaaldiagnoses gesteld en daarbij passend beleid gemaakt, en in principe gebeurt dat door de specialisten. Als ze tot een diagnose proberen te komen, dan gaat dat veelal dus ook via een soortement discussie tussen de specialisten, met ideeën over en weer. Maar als er een AIOS bij het overleg zit, kan de vraag om een diagnose aan de AIOS gericht worden. Alle ogen zijn dan gericht op de AIOS. Is dat omdat op die manier de AIOS wordt geselecteerd, of omdat de AIOS een vraag moet beantwoorden en dus de volgende spreker gaat zijn?

We kunnen blikrichting dus wel gebruiken om te onderzoeken welke hoorder is geselecteerd als volgende spreker, maar daarmee is nog niet gezegd dat die selectie is verricht door middel van blikrichting. De studie van Blythe en zijn collega’s, evenals eerder onderzoek van andere taalkundigen, suggereert dat blikrichting als selectietechniek kan worden; de uitdaging is nu uitvogelen hoe we kunnen onderscheiden wanneer blikrichting een aanwijstechniek is, en wanneer het gewoon blikrichting is.

Cultuurverschillen

Een ander opmerkelijk punt dat de auteurs oppikken uit de literatuur is dat mensen in de bestudeerde Aboriginalculturen bij voorkeur gaan zitten op een manier waarop ze elkaar niet zomaar kunnen aankijken. Vaak zitten ze naast elkaar en kijken ze dus de wereld in en wat er buiten het gesprek gebeurt als ze met elkaar praten. En dat zouden de Aboriginals delen met andere niet-Westerse culturen zoals de Tzeltal in Mexico. Een idee daarachter is dat in het dierenrijk blikrichting vaak als intimidatie wordt ingezet, en ons instinct dus is om het te vermijden.

Ik vraag me alleen af of wij Nederlanders werkelijk zoveel verschillen van deze niet-Westerse culturen. Loop op een zomerse dag deze week langs de terrasjes en je zult zien dat mensen vaak naast elkaar gaan zitten in een halve cirkel of zelfs een halve ellips. We lijken erop gericht te zijn om de mogelijkheid tot elkaar aankijken open te houden, maar gedurende het gesprek toch vooral niet naar elkaar te kijken. Misschien willen we kunnen zien wat er om ons heen gebeurt, maar het is ook mogelijk dat we die wereld om ons heen willen kunnen inzetten als reden om elkaar niet aan te hoeven kijken. De mogelijkheid om de ander aan te kijken is tegelijkertijd wel van belang; als ik een gesprek voer met mijn kantoorgenoot kijk ik wel om mijn beeldscherm heen zodat ik hem kan aankijken. Er lijken dus wel degelijk verschillen te zijn tussen Westerse en niet-Westerse culturen, maar misschien is elkaar aankijken ook in onze cultuur lang niet zo normatief als we denken.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.