waterlander

waterlander zn. ‘traan’

 

Waterlander (ca. 1300) betekent allereerst ‘bewoner van Waterland’, het gebied in Noord-Holland grofweg tussen Amsterdam en Edam. In verband met ‘huilen’ wordt het woord voor het eerst in 1561 aangetroffen in het spreekwoord De waterlanders op den dijck laten komen ‘beginnen te tranen’, in Sartorius’ bewerking en vertaling van Erasmus’ Adagia (Hst. III, III, nr. 16) : “[Latijn:] Cepas edere aut olfacere [‘uien eten of ruiken’], [Grieks:] krommua esthiein [‘uien eten’]. De waterlanders op den dijck laten komen”. Daarbij geeft Sartorius de uitleg: ‘Gezegd van hen bij wie tranen in de ogen komen. Vanwege de tranenwekkende bitterheid van uien.’ Dit werk werd in de 17e eeuw een aantal keren heruitgegeven. In 1681 schrijft Winschoten in zijn Spreekwoorden uit de Seevaart: “de Waaterlanders quaamen op den dijk: dat is oneigendlijk, de traanen quaamen in de oogen: want sij sijn niet gewoon op den dijk te koomen, of het moet al groote nood doen: gelijk ook die schreien, sig inbeelden in groote nood te sijn.”

Sartorius (1500–1557) was Amsterdammer en de 17e-eeuwse verklaring dat de waterlanders in het spreekwoord op de bewoners van Waterland slaan is dus goed denkbaar. Wel is Winschotens verklaring via ‘hoge nood’ wat vergezocht: eerder wordt de dijk vergeleken met de rand van de ogen, waarop de tranen opwellen (zie hieronder bij Tuinman). Na 1800 vinden we de moderne gelijkstelling van waterlander met ‘traan’: “Toen ik (…) daarbij ook uw’ lieven brief op tafel zag liggen, begonnen de waterlanders in mijne oogen te komen.” (1806, Loosjes, Susanna Bronkhorst).

 

Daarnaast bestond ook de uitdrukking ‘het water komt op de dijk’, het eerst aangetroffen bij Constantijn Huygens in een bruiloftslied uit 1614: Veel tranen te gelyck / Hielen t’ woordt in de keel; t’ water quam op den dyck. Ook bij Tuinman (1726): “’t Water komt op den dijk. Dat wil zeggen, de traanen komen in de oogen. Men zeide ook, de waterlanders komen op den dijk. Verstaat door den dijk de onderste randen der oogen.” Aangezien deze uitdrukking algemener van aard is en in een groter gebied gebruikt zal zijn geweest (vgl. ‘het is hoog water’ = ‘op het punt staan te gaan huilen’), paste Sartorius er in 1561 blijkbaar een lokale, Amsterdamse variant van toe.

 

Dit bericht is geplaatst in taalkunde met de tags , . Bookmark de permalink.