Literaire last

  1. Door Jos Joosten

Eén ding is zeker: als Thierry Baudet niet bekend was geweest vanwege zijn andere publieke activiteiten, dan zou geen uitgever op het idee zijn gekomen zijn novelle ‘Van elk waarheen bevrijd’ uit te geven. Het is het totaal onopzienbarende verhaal van een totaal onopzienbarend hoofdpersonage. Gepensioneerde muziekleraar, met monomane en autistische trekjes, kijkt terug op een mislukt huwelijk en een mislukte affaire met een leerling. The End.

Nu zegt zo’n samenvatting natuurlijk niets: je kunt een briljant boek schrijven over een mislukte handel in kaas. Baudet heeft alleen een klein probleempje, namelijk dat hij niet kan schrijven. Dat is normaal gesproken natuurlijk helemaal niet erg. Er zijn talloos veel miljoenen Nederlanders die dat niet kunnen. Maar het is toch wel een beetje een handicap als je schrijver probeert te zijn.

‘Van elk waarheen bevrijd’ is opgetrokken uit jammerlijke cliché’s, zowel stilistisch als inhoudelijk. Als hoofdpersoon Philippe Gautier in een hotel seks heeft gehad met zijn minnares (de afterparty plastisch verwoord in de nu-al-klassieker: ‘Na het klaarkomen ging Philippe op de rand van het bed zitten.’) beschrijft hij de kamer:

‘Strijklicht viel de statige hotelkamer binnen. De wind blies het gordijn van de balkondeuren open. Hij trok zijn schouders lichtjes op zoals je ook doet als je gaat huilen.’

Ongeveer zo smaakvol als een Ferrero-Rocher-reclame dus, die edelkitsch en pseudoromantiek die het hele boekje teistert.
Ronduit gek word je van Baudets eigenaardigheid om door de hele tekst te pas en te onpas woorden te cursiveren:

‘Ik hou van je, dacht hij, o Sylvia, ik hou echt van je. Maar ik kan mezelf niet bij je kwijt: je denkt dat ik jou afwijs, maar je hebt mij óók afgewezen (…). Je hebt van me gehouden maar je hebt me niet begrepen, je hebt me nog nooit echt gezien.’

Dit is reuze potsierlijk. Baudet gebruikt die cursieven ongetwijfeld om Couperiaans of anderszins fin-de-sièclig te doen, maar eerder dan naar de grote negentiende eeuwse ‘toondichters’, dwalen de gedachten hier toch onwillekeurig naar het puberale ‘Kwil weten wie je bent’, dat Ernst Jansz ooit kweelde.

De tragiek van ‘van elk waarheen bevrijd‘ is dat het boek elke brille, elke artistieke superioriteit, elk sprankje genie ontbeert dat Baudet zijn protagonist expliciet al te expliciet pagina na pagina toedicht. Dat hoofdpersonage wordt namelijk op geen enkele manier inleefbaar. Baudet beoogt hem te voorzien van een muzieksmaak en kijk op de wereld die ‘verfijnd’ is, wereldafgewend, reikend naar hogere sferen. Maar wat de lezer voorgeschoteld krijgt, zijn niet de doorleefde zieleroerselen van een getormenteerde kunstenaar, maar het wat stuntelig opgenoteerde bééld van hoe Thierry Baudet denkt dat een lezer denken moet hoe een getormenteerde kunstenaar eruitziet.

Of korter geformuleerd: Baudet schrijft kitsch. Er wordt iets gepresenteerd als echt, dat in werkelijkheid nep is. We zien geen ultieme Feingeist met een exquise muzieksmaak, maar we krijgen de CD 18 romantische klassiekers, eenvoudig te digesteren bij het nephaardvuur. Kitsch biedt ‘instantaneous emotional gratification without intellectual effort, without the requirement of distance, without sublimation’, schreef Walter Benjamin. En dat is evident bij Baudet.

Er is geen distantie, geen zelfspot, geen ironie. Geen sprankje reflectie of metareflectie dat dit pompeuze boek van zijn – o paradox – platheid had kunnen redden. Was dat wel het geval geweest dan had je bij voorbeeld kunnen denken dat Baudet een grapje maakte door de kinderen van Philippe Gautier ‘Axel’ en ‘Rosa’, te vernoemen naar een totale tegenvoeter van Gautier, namelijk Guns N’ Roses-zanger Axl Rose (wiens naam overigens, zoals bekend, een anagram is voor ‘oral sex’).

De uitgever probeert er nog iets van te maken, door te doen alsof dit boek gaat over een ‘babyboomer die vanuit het hedendaagse Parijs nadenkt over de idealen van zijn generatie’. Maar ook dat is onzin, een raar verkooppraatje bestemd voor Baudet-adepten. Want het punt in het hele boek is juist dat de navelstarende Gautier helemaal niet bij zijn generatie hoorde. Hij was altijd buitenstaander en onmodieus in die zogenaamde roerige jaren zestig. Een gegeven waar een echte schrijver beslist wat moois van had kunnen maken. Dat is nu totaal mislukt.

Lees ik Baudets proza dan heb ik het gevoel dat James Last de literatuur is binnengemarcheerd.

Dit bericht is geplaatst in column, recensies met de tags . Bookmark de permalink.

11 reacties op Literaire last

  1. Rob Alberts schreef:

    Op geen enkele wijze had ik de interesse om iets van de schrijver Baudet te lezen.
    Met deze recensie ben ik daar nog meer van verzekerd …

    Vriendelijke groet,

  2. DirkJan schreef:

    Deze door redeloze razernij gedreven recensent meent dat de nieuwe roman van Baudet alleen is verschenen door zijn publieke belangstelling. Maar al in 2014 schreef Baudet een eerste roman en in datzelfde jaar ook een boek met Geert Mak. Maar deze boekbespreker is zo vooringenomen en geobsedeerd door zijn onderwerp dat hij een door haat gedreven recensie schrijft van bedenkelijk niveau. Voor mij is zo goed als zeker, als Baudet nu niet negatief in de belangstelling had gestaan, dan had Jos Joosten nooit dit boek uit zelfkastijding gelezen en er een gefrustreerde recensie over geschreven.

    (Arjan Peters van de Volkskrant gaf het boek drie sterren)

      • DirkJan schreef:

        Ik word inderdaad op mijn wenken bediend, uw politiek angehauchte recensie van Baudets eerste roman dateert van augustus 2017, drie jaar nadat die roman is verschenen, ruim voor Baudet met een denktank begon. Maar meer nog dan deze anachronistische bespreking, u heeft zijn eerste roman dus al afgeserveerd en meent er goed aan te doen om dat nu met zijn tweede boek nog eens dunnetjes over te doen. En begrijp mij goed, ik vind Baudet niet meer dan anderhalf ons basterdsuiker en zal nooit wat van hem lezen, negeren is het beste, maar wat ik vooral in uw filippica mis, is enige virtuositeit, laat staan geestigheid en brille, drie ingrediënten die u Baudet al eerder zwaar had aangerekend omdat hij daar niet over beschikte. Jos Joosten, de James Last van de literatuurkritiek.

        • DirkJan schreef:

          Ik overdrijf wel een beetje … 🙂

          • DirkJan schreef:

            En op zich zou het niets mogen uitmaken, maar ik kwam er pas later achter dat Jos Joosten hoogleraar Nederlandse letterkunde is aan de universiteit van Nijmegen, en dan had ik toch een toontje lager gezongen. Maar dan nodig ik professor Joosten uit om eens op neerlandistiek.nl een actuele roman te bespreken die wél de moeite waard is.

          • Marcel Plaatsman schreef:

            Welnee, waarom zou je je mening laten afhangen van iemands positie? Dan zou je op de man spelen, eigenlijk. Hoewel nu onderstaande aanklacht, dat Walter Benjamin hier in het Engels wordt aangehaald terwijl die in het Duits schreef, in het licht van ’s mans functie wel pijnlijker wordt.

          • Jos Joosten schreef:

            DirkJan moet zich door de maatschappelijke functie van de schrijver van een artikel niet laten weerhouden de dingen op te schrijven die hij vindt. Zou wat zijn.

            Mij ontgaat de relevantie van (in twee andere reacties) het verwijt dat ik Benjamin citeer in het Engels (ik had de brontekst thuis niet bij de hand). De suggestieve lading die daaraan gegeven wordt, is bovendien niet inhoudelijk, maar vooral nogal sneu.

  3. ijsbrand schreef:

    Nooit gehoord van de Engelstalige auteur Walther Benjamin. Moest nogal een imposante autoriteit zijn, omdat de aanname nu lijkt te zijn dat ik hem hoor te kennen.

    (Walter Benjamin, zonder h, schreef in het Duits. Citaten dienen gegeven te worden in de brontaal,
    of vertaald in de taal van het hele stuk, me dunkt, en nimmer gegeven te zijn in een andere taal die de brontaal niet is. Alleen al omdat de auteur met zulke tweedehandsjes de sterke indruk wekt de bron niet te kennen, en goedkoop leentjebuur te hebben gespeeld bij een ander. Wat nooit voor hem pleit).

  4. Walter Benjamin is al bijna 80 jaar dood. We hebben inmiddels een heel andere verhouding met kitsch en clichés, nu alle diepzinnige technieken in romans ook allemaal al eens zijn uitgeprobeerd.

    ‘Strijklicht viel de statige hotelkamer binnen. De wind blies het gordijn van de balkondeuren open. Hij trok zijn schouders lichtjes op zoals je ook doet als je gaat huilen.’

    Het woord ‘strijklicht’ is in dit geval een goede vondst, omdat het om een cellist gaat. Je hoort er muziek bij. De herhaling van g-klanken (strijklicht-gordijn-schouders-lichtjes-gaat) bootst het geluid van de strijkstok op de snaren na.

    Ook de alliteraties strijklicht-statig-schouders, blies-balkon en hotelkamer-huilen geven een sterk klankeffect, evenals de o’s van gordijn-balkondeuren-trok en de vier eenlettergrepige werkwoordsvormen viel-blies-trok-doet. Baudet schrijft zoals hij een speech schrijft.

    Maar het is raar dat het gordijn pas opengaat nadat het licht in de kamer valt. En dat de wind een gordijn open blaast. Meestal bollen gordijnen wat op of wapperen ze wat heen en weer.

  5. Peter J.I. Flaton schreef:

    Bij dit alles is nog te bedenken, dat Baudet als de tovenaarsleerling van Sir Roger Scruton (die zijn co-promotor was) in zowat alles de meester imiteert. Zo is diens oikofobie de pendant van Scrutons oikofilie met dezelfde nauw nationalistische hele, halve, kwart-, boven- en ondertonen.
    Scruton moet niets van moderne/modernistische muziek hebben (‘ad nauseam’ Adorno als de kwade wijsgerige genius ervan attaquerend). Hoort Baudet bij toeval een stuk van Rudolf Escher, gecomponeerd in de jaren dertig, via NPO Radio 4, dan volgt een bitse filippica omtrent zoveel oortergende onwelluidenheid die hij uitspeelt tegen de harmonie van zijn lievelingscomponist Haydn, daarbij tussen de regels suggererend dat in de programmering die kakofonie domineert want Radio 4 is in handen van postmodernistische neomarxisten. En omdat onze universiteiten hun studenten al net zo postmodernistisch manipuleren, zeker waar het de humaniora betreft, organiseert Baudet zijn eigen academiecursussen waar hij jongeren échte vorming aanreikt naar analogie van Scrutons ‘Master’s in Philosophy’ aan de University of Buckingham. En het spreekt vanzelf, dat Baudet Scruton volgt in diens afkeer van moderne architectuur waarvoor de meester het woord ‘uglification’ heeft gemunt en dat hetzelfde m.m. geldt voor de al net zo lelijke moderne beeldende kunst.
    Scruton is een gepassioneerd vossenjager en debiteert daaromtrent diepzinnig wijsgerige waarheden en ook Baudet mag graag een middagje losgaan op, naar valt aan te nemen (we zijn in Nederland), hert en wild zwijn. Zijn bijpassende argumentatie lijkt als twee druppels water op die van Scruton.
    Scruton laat zich in televisie-interviews opgenomen in zijn ‘manor’ Scrutopia graag zien aan de piano waar hij de kijkers-luisteraars zijn eigen composities voorspeelt. Baudet, wat minder ruim behuisd, koketteert met zijn vleugel in het Tweede Kamergebouw aan het Binnenhof (we wachten in dit verband nog op zijn eerste composities). [Scruton bespeelt daarnaast het orgel tijdens diensten in de Anglicaanse dorpskerk vanuit zijn anglo-katholieke dispositie maar dat zie en hoor ik Baudet nog niet doen want hoewel hij graag mag oreren over het joods-christelijke erfgoed dat de generatie ’68 verkwanseld heeft, katholiek worden wilde maar niet lukken.]
    Uit de Tweede Kamer zorgen omtrent Brexit, dan wast Baudet de critici ervan de oren in een tirade die zo uit Scrutons ‘Where we are: the State of Britain now’ lijkt te komen. En ja, Scruton schrijft romans, de recentste zijn ‘Notes from Underground’ en ‘The Disappeared’ die, eerlijk is eerlijk, behoorlijke recensies hebben gekregen.
    Ziehier mogelijk of wel haast zeker het probleem: de meester doet het allemaal net even beter en vooral met minstens enige ironie waardoor je hem hoezeer ook tegen wil en dank wilt lezen want Scruton heeft zo nu en dan wel degelijk iets te zeggen wat hout snijdt.

Reacties zijn gesloten.