Ik zeg dat omdat ik kan dat

Door Marc van Oostendorp

Van taalfouten en versprekingen kun je veel leren – bijvoorbeeld over hoe taal in ons hoofd werkt. Dat weten we al heel lang, en zeker voor de tijd van heel precies geplande experimenten waarbij mensen teksten op computers voorbij zagen flitsen of van hersenscans terwijl mensen naar het woord potgrond zoeken, waren foutjes en versprekingen een goede bron van kennis over taalpsychologie.

In een nieuw artikel in het tijdschrift Language Sciences laten Gerard Kempen en Karin Harbusch zien dat versprekingen nog steeds een bron zijn. Deze keer is het hen te doen om mensen die zoiets zeggen als:

  • Ik kan niet komen omdat ik heb tot half één tentamen. [zin 1]

In die zin staat het werkwoord natuurlijk op de verkeerde plaats; het hoort achterin de zin, in zogeheten bijzinsvolgorde. Er zijn ook geen moedertaalsprekers van het Nederlands die dat niet weten – het is niet iets dat er op school wordt ingestampt, het komt van nature –, maar soms vergist iemand zich en zegt hij dit.

Gewoner

Goed, dat feit is op zichzelf misschien nog niet vreselijk opwindend, maar Kempen en Harbusch laten zien dat er minstens drie eigenaardigheden zijn. In de eerste plaats maken mensen bij want, dat een vrijwel gelijke betekenis heeft, zelden of nooit een fout (in hun materiaal kwam het in ieder geval niet voor). Niemand zegt daar ooit:

  • Ik kan niet komen want ik tot half één tentamen heb. [komt niet voor]

In de tweede plaats: als mensen de fout in zin 1 maken, verbeteren ze zich niet door hem te herhalen met het andere voegwoord (want) waarmee de zin wel goed zou zijn (zoals in zin 2), maar door de werkwoordsvolgorde alsnog te veranderen (zoals in zin 3):

  • Ik kan niet komen want ik heb tot half één tentamen.
  • Ik kan niet komen omdat ik tot half één tentamen heb.

Je kiest kennelijk eerst het voegwoord en past je volgorde daarbij aan, en niet andersom. Dat het bij want nooit mis gaat, komt misschien doordat die hoofdzinsvolgorde een gewonere is. Daar wijk je niet zo snel vanaf. (De vertaling van Kempen en Harbusch is iets subtieler; zie daarvoor hun artikel.)

Keuze

Het derde feit komt voort uit een vergelijking met het Duits. In die taal heb je ook zo’n paar als omdat en want: het voegwoord weil kiest de bijzinsvolgorde (‘weil ich ein Buch lese’) en het voegwoord denn de hoofdzinsvolgorde (‘denn ich lese ein Buch’). Net zoals Nederlanders na want maken Duitsers na want eigenlijk geen fouten. Maar eigenaardig genoeg maken Duitsers veel meer (acht keer zoveel) fouten na weil dan Nederlanders na omdat.

Hoe komt dat? Het heeft er mogelijk mee te maken dat want in het Nederlands veel vaker voorkomt dan denn in het Duits. De hoofdzinsvariant wordt daar dus al door afgedekt, wie die richting op denkt, heeft in het Nederlands dus een alternatief. En in die zin wordt de keuze van het voegwoord dus misschien juist wél mede bepaald door de woordvolgorde.