Gedicht: Hein Boeken – 31 mei ’33

31 mei ’33

Weer is voorbij der nachtegalen maand,
Der meerelen, die van het leven zingen
Toch in hun tongval tot beseffen dwingen
Dat niets van al dit schoone is stille-staand,

Dat alles is in gauwen gang vergaand.
En bij het zien van al Mei’s lieve dingen
Was het mij niet of heen mijn krachten gingen?
Heb ‘k niet dees Mei mijn laatste maand gewaand?

Het is voorbij. Wij treên in ’t Juni-woud,
Te donkrer om het hooge hemel-licht
En waarin al het lent-werk is verricht.

Wij zien niet meer het schrale winter-hout.
Nog eenmaal Levens volle weelde omvangen
Die onze borst ontpers’ de zomer-zangen!

Hein Boeken (1861-1933)
uit: Drie mei-gedichten (1933)

———————————–

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.