Gedicht: Gerrit Kouwenaar – Zomergedicht

Zomergedicht

Van minder een stoel getimmerd, men gaat zitten
onder een verbazingwekkend roerloze zon

terwijl de dorpskinderen de vrede bezingen
op hun blinkende brommers, terwijl de hemel

ondiep is als water onder een roeiboot, terwijl
men woorden laat drijven en zinken

hoort men zich roepen, bloed valt uit de bomen
men herkent zich, staat op om te stelpen

hoe hol de taal nu zijn leegte bevredigt, als os
zich laat slachten, als vlees zich laat strelen

hoe de vogel ontvleugelt, het huis niet meer woont
het brood niet meer eet, de stoel niet meer zetelt

later in donker als men dit uitleest is het heden
geweest, zelfs de verte beweegt niet, alleen

op de bodem martelt nog eten, de maan
als vanouds maakt minder bitter en witter –

Gerrit Kouwenaar (1923-2014)
uit: Helder maar grijzer (1998)

———————————–

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Gedicht: Gerrit Kouwenaar – Zomergedicht

  1. harricot schreef:

    ‘maak’ (in de laatste regel) moet volgens mij ‘maakt’ zijn. Volgens Tirade ook.
    http://www.dbnl.org/tekst/_tir001199301_01/_tir001199301_01_0082.php

Reacties zijn gesloten.