Passen talen zich aan hun sprekers aan?

Door Marc van Oostendorp

Sinds een paar jaar verschijnt er onderzoek dat een aantal jaar geleden ondenkbaar was: naar de relatie tussen taalvariatie en genen. Het gaat dan meestal over klanken, zoals ook in een nieuw artikel in het prestigieuze tijdschrift PNAS.

Dat talen van elkaar verschillen in welke klanken ze hebben, is op zich een niet goed begrepen fenomeen. Waarom maken niet alle talen gebruik van dezelfde klanken? Daar heeft geloof ik nog nooit iemand iets verstandigs over gezegd (ik schreef er vorig jaar al eens over).

Het is duidelijk dat sociale factoren een rol spelen in taalverandering (mensen willen altijd anders praten dan andere mensen), maar de gedachte dat genetische variatie ook een rol speelde was in het recente verlenen niet alleen eigenlijk niet te toetsen, maar ook nog eens taboe. Dat kwam door de suggestie dat sommige talen nu eenmaal beter zijn en bij genetisch betere mensen horen. Een ander probleem voor de relatie is overigens dat voor zover bekend ieder kind iedere menselijke taal kan leren – bijvoorbeeld als ze als pleegkind heel ergens anders terecht komt dan waar haar moedertaal gesproken wordt.

Maar inmiddels laten onderzoekers zich daar kennelijk niet meer door tegenhouden. In het nieuwe artikel gaat het over DCDC2, een gen waarvan al langer bekend is dat het belangrijk is voor fonologie – het in je hoofd verwerken van taalklanken. De onderzoekers keken nog specifieker naar een stukje van DCDC2 dat READ heet (ik neem aan dat dit een soort woordgrapje is). Ze laten zien dat variaties in dat gen corresponderen met aantallen medeklinkers. In regio’s waarin dat READ-stukje een bepaalde vorm heeft, hebben talen in doorsnee meer medeklinkers dan in andere regio’s.

Het blijft natuurlijk maar een klein effect. Er zijn genoeg volkeren met die bepaalde vorm van READ die desalniettemin toch niet zoveel medeklinkers hebben. Bovendien: iedere taal met heel veel medeklinkers heeft wel sprekers met de verkeerde vorm van het gen, en voor zover we weten vallen die niet speciaal op doordat ze af en toe niet op een t of een g kunnen komen. En nog steeds geldt dat ieder mensenkind moeiteloos iedere menselijke taal kan leren als ze in de juiste omgeving opgroeit. Dit soort bevindingen kan dus misschien een deeltje van de vraag beantwoorden waar de variatie vandaan komt – talen passen zich aan hun sprekers aan –, maar heel ver kom je er ook niet mee, juist omdat de verklarende kracht van deze factor zo klein blijft.

Er moet, zou je zeggen, iets anders zijn dat de verschillen tussen talen drijft. Maar wat?