kleineren

kleineren ww. ‘in waarde verkleinen; krenken’

 

Middelnederlands cleeneren (1330-1332)? Nieuwnl. kleynéren ‘verminderen’ (1599, Kiliaan; naast kleynen met dezelfde betekenis), kleyneere (1648) ‘doen verminderen’, kleyneeren ‘minder (waard) worden’ (1671), kleineeren ‘minachten’ (1701). Nnl. vercleyneringhe ‘vermindering’ (1580) veronderstelt een ww. *verkléineren, in de 19e eeuw en in dialecten bevestigd door verkleinderen, verkleenderen. Westvlaams kleineeren ‘verkleinen’ bewaart de oudere, letterlijke betekenis. In Drents en Gronings verkleineeren.

Afleiding van klein met het Franse leensuffix -eeren, ouder –ieren. Dat suffix was redelijk productief in het Middelnederlands, sommige afleidingen zijn later weer verdwenen (voetéren ‘te voet gaan’, hovéren ‘feestvieren’). Naast halvéren is kleinéren het enige werkwoord op –éren dat van een bijvoeglijk naamwoord is afgeleid, maar halveren vervangt Mnl. halven ‘in tweeën delen’, evenals Duits halbieren ouder halben heeft verdrongen. Als directe afleiding met -éren van een bn. zou kleinéren dus niet aan een bestaand patroon beantwoorden. Waarschijnlijker lijkt daarom dat kleinéren een afleiding is van het werkwoord Mnl. cleenen (1460-1480), cleinen (1480), Nnl. kleinen ‘verkleinen’, Noordhollands klienen ‘klein maken, fijn maken’.

 

De oudste attestatie komt volgens MNW voor in een rekening van de grafelijkheid van Zeeland uit 1330-1332. Het woordenboek citeert uit de uitgave van Hamaker uit 1879 het deelwoord ghecleenert in de zin Van 6 m. lands, die die clooster van Waterlooswerve vrij hevet in zijn ambocht, ende daer hi niet mede ghecleenert en hadde van den 4 gr. van den mete. Het grote gat tussen deze vindplaats en de eerstvolgende in 1599 is enigszins verdacht. Het citaat lijkt op zijn minst in de spelling te zijn gemoderniseerd; ik heb echter geen toegang tot de uitgave of tot het origineel en kan de vorm dus niet controleren.