Godlof dat onkruid niet vergaat

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (167)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Lof van het onkruid

Godlof dat onkruid niet vergaat.
Het nestelt zich in spleet en steen,
breekt door beton en asfalt heen,
bevolkt de voegen van de straat.

Achter de stoomwals valt weer zaad:
de bereklauw grijpt om zich heen.
En waar een bom zijn trechter slaat
is straks de distel algemeen.

Als hebzucht alles heeft geslecht
straalt het klein hoefblad op de vaalt
en wordt door brandnetels vertaald:

‘gij die miljoenen hebt ontrecht:
zij kòmen – uw berekening faalt.’
Het onkruid wint het laatst gevecht.

(Ida Gerhardt, Vijf vuurstenen)

De regels van dit sonnet zijn korter dan in het genre gebruikelijk is: iedere regel heeft maar acht lettergrepen, in plaats van de gebruikelijke tien (sinds 1880) of twaalf (daarvoor). Dat is een vorm die om de een of andere reden – de geleerden zijn het niet eens over wat die reden mag zijn – meer hoort bij volkspoëzie.

Dit sonnet heeft dan ook minstens twee regels die goed dienst zouden kunnen doen als kreten bij een demonstratie van de milieubeweging, gesteld dat de milieubeweging nog zou demonstreren: “Godlof dat onkruid niet vergaat”, en “Het onkruid wint het laatst gevecht”. Sterker nog, het hele gedicht zou je op marsmuziek kunnen zetten en dan ten gehore kunnen brengen tijdens het marcheren voor het onkruid. (De enige plaats waar er een lettergreep te veel opduikt is in bij ‘uw berekening faalt’, die je dus vermoedelijk moet lezen als ‘uw bereek’ning faalt’.)

Doordat iedere regel zogeheten ‘mannelijk rijm’ heeft en eindigt op een beklemtoonde lettergreep, terwijl iedere volgende begint met een onbeklemtoonde, loopt het gedicht ook echt door. Het aarzelt geen moment.

Maar ook door de kortheid van de regels krijgt het gedicht zijn kordate, dwingende toon; het is een gedicht in vierkwartsmaat. Je merkt dat als je probeert de regels tot een voor sonnetten gebruikelijker lengte op te rekken:

Wat is het fijn dat onkruid niet vergaat
Het nestelt zich in diepe spleet en steen
en breekt dan door beton en asfalt heen,
bevolkt de grauwe voegen van de straat.

Op deze manier wordt het vers veel beschouwender, het wordt een mijmering over de natuur. Waar dat precies aan ligt is moeilijk te zeggen: is het een onderdeel van cultuur, zodat we bij regels van tien lettergrepen meteen in the mood komen voor mijmering, terwijl acht lettergrepen altijd voor activistischer en eenvoudiger teksten gebruikt worden? Of is er iets zo natuurlijks aan de symmetrie van 8 (=2x2x2) dat gebroken wordt door 10 en zet dat ons aan het denken?