’T FoKSCHaaP, Nu!

Door Roland de Bonth

Generaties leerlingen hebben de werkwoordspelling onder de knie gekregen met het door L.A. te Winkel populair gemaakte ezelsbruggetje van ’T KoFSCHiP. Het enkel noemen van dit woord was jarenlang afdoende om een leerling een fout gespeld werkwoord te laten verbeteren. Meer dan honderd jaar later wisten leerlingen echter niet meer wat een kofschip was. En omdat de aanwezige klinker i verwarring opleverde bij de spelling van werkwoorden als gooien en stoeien is, heeft vanaf het midden van de jaren negentig van de vorige eeuw ’T FoKSCHaaP zijn intrede gedaan in het spellingonderwijs. Soms wordt aan dit beest ook nog het epitheton SeXy toegevoegd, om de vervoeging van aan het Engels ontleende werkwoorden als faxen eenvoudiger uit te kunnen leggen.

Hoewel het enige moeite kost om dit ezelsbruggetje onder de knie te krijgen – denk aan het geworstel met werkwoorden als verhuizen en verloven – lukt het de meeste leerlingen na gedurige oefening (exercitatio) deze regels toe te passen in hun schriftelijk taalgebruik. Een correcte toepassing van ’T FoKSCHaaP zorgt ervoor dat zij bij zwakke werkwoorden weten wanneer zij de uitgang –te(n) dan wel –de(n) in de onvoltooid verleden tijd moeten gebruiken én wanneer ze een –t of een –d moeten spellen bij het voltooid deelwoord. Over het algemeen kunnen leerlingen aan het eind van hun schoolcarrière – ik beperk me tot 5 havo en 6 vwo – deze regels redelijk goed toepassen. Helaas gebruiken sommigen het ezelsbruggetje abusievelijk bij de spelling van werkwoorden in de tegenwoordige tijd. Volgens hen is het hij haald, want de l staat niet in ’T FoKSCHaaP, dus is het met een d.

Ik liet zojuist al het woord exercitatio vallen en niet zonder reden. We gaan terug in de tijd, naar 1568 om precies te zijn. In dat jaar voltooide Johan Radermacher de oudste geschreven grammatica van het Nederlands: Voorreden van de noodich ende nutticheit der Nederduytscher taelkunste. Toch duurde het nog ruim vier eeuwen voordat dit manuscript in gedrukte vorm het licht zag. Karel Bostoen verzorgde een uitgave ervan in 1985 en voorzag de tekst van een inleiding.

In datzelfde jaar verscheen van de hand van Geert Dibbets ook een nieuwe, geannoteerde editie van de oudste gedrukte grammatica van het Nederlands: de Twe-spraack vande Nederduitsche letterkunst (1584). Daarin bespreekt Dibbets onder meer de trits natura-ars-exercitatio die aanvankelijk vooral betrokken werd op retorica en poetica maar door Radermacher werd toegepast op taal. Aan de hand van een schematische voorstelling maakt Dibbets duidelijk welke gedachtegang Radermacher daarbij volgde:

Hoe moet deze figuur worden gelezen? In deze figuur stelt natura de taal in haar oorspronkelijke staat voor. Pijl a geeft aan dat de usus, het taalgebruik, voortkomt uit deze volmaakte taal; wel vertoont de usus ten opzichte van de natura enige gebreken. Pijl b brengt tot uitdrukking dat de ars grammatica een stelsel regels is die hun oorsprong vinden in de natura en om die reden in essentie volmaakt zijn. Pijl c laat zien dat de ars grammatica invloed heeft of zou moeten hebben op de usus. Door middel van oefening – exercitatio – kunnen de grammaticale regels toegepast worden in het taalgebruik. In een ideale situatie zal als gevolg van die exercitatio de usus geleidelijk aan herstellen. Met andere woorden, het taalgebruik zal steeds meer overeenkomsten gaan vertonen met de natura; dit wordt uitgedrukt door pijl d.

Na dit korte historische intermezzo keren we terug naar het heden. Peter-Arno Coppen, de Taalprof, heeft er de afgelopen jaren herhaaldelijk en bij diverse gelegenheden op gewezen dat voor het – wat hij noemt – ‘doen van grammatica’ drie groepen bronnen onderscheiden dienen te worden: het taalgevoel, de taalnorm en de taalwerkelijkheid. Werd in de taalwetenschap aan het eind van de twintigste eeuw slechts een marginale rol toebedeeld aan de taalnorm – het draaide daar hoofdzakelijk om de relatie tussen taalgevoel en taalwerkelijkheid –, in het onderwijs, meer specifiek het schoolvak Nederlands, speelde de taalnorm daarentegen juist een dominante rol.

De driedeling van Coppen vertoont een zekere gelijkenis met de trits van Radermacher. Zo kan de ars grammatica gelijkgesteld worden aan de taalnorm, terwijl de usus overeenkomt met het taalgebruik. Anders is dat gesteld met de begrippen natura en taalgevoel. Coppen zegt dat iedere taalgebruiker een uniek en eigen taalgevoel heeft, dat overigens deels zal overlappen met het taalgevoel van andere gebruikers van een taal.

Op het eerste oog lijkt het taalgevoel van een individu een vaststaand gegeven te zijn, maar dat is volgens mij maar in bepaalde mate het geval: blootstelling aan taaluitingen kan ervoor zorgen dat een constructie die eerst niet in overeenstemming lijkt met het Nederlandse taaleigen uiteindelijk toch geaccepteerd wordt. (Zoveel werd mij wel duidelijk toen ik tijdens mijn studietijd geconfronteerd werd met parasitaire gaten in het Nederlands. Hoe meer zinnen met deze gaten ik las, des te toleranter stond ik tegenover zinnen waar deze in voorkwamen.)

Taalgevoel is dus individueel en enigszins dynamisch. Bij natura draait het veeleer om een statische toestand van een taal. Het is een niet-bestaande, ideale vorm van het Nederlands, die niet gekoppeld is aan individuele taalgebruikers. Wel moeten deze ernaar streven om hun taalgebruik zodanig te perfectioneren dat zij die zuivere vorm van het Nederlands weten te benaderen of zelfs te behalen. In de tijd van Radermacher, waarin het nationale bewustzijn sterker werd en het standaardiseringsproces van het Nederlands een aanvang nam, was dit een voor de hand liggend streven.

Hoewel er dus verschillen zijn tussen het taalgevoel van een spreker van het Nederlands en de natura zullen beide op een groot aantal punten met elkaar in overeenstemming zijn. Laat ik dat toelichten aan de hand van een concreet voorbeeld. Het Nederlands kent van oudsher twee getallen: enkelvoud en meervoud; een dualis zoals onder andere in het Gotisch wordt aangetroffen, behoort niet tot het Nederlandse taaleigen. Kenmerkend voor het Nederlands en voor vele (of alle?) andere talen is dat het getal van het onderwerp correspondeert met dat van de persoonsvorm. Een enkelvoudig onderwerp vraagt om een persoonsvorm in het enkelvoud, terwijl een meervoudig onderwerp vraagt om een persoonsvorm in het meervoud. Niets nieuws onder de zon.

Maar aan deze regel wordt getornd! Hierboven stelde ik dat kennis van ’T FoKSCHaaP ervoor zorgt dat leerlingen weten wanneer ze in de onvoltooide tijd van zwakke werkwoorden –te(n) dan wel –de(n) moeten gebruiken..Het schoolexamen schrijfvaardigheid in 5 HAVO – een uiteenzetting over jeugdculturen – heeft dit jaar echter een interessante ontwikkeling te zien gegeven. Wat was het geval? Bij een meervoudig onderwerp heb ik meer dan eens een enkelvoudige persoonsvorm aangetroffen. Dat het hier geen toevallige verschrijving betreft, moge blijken uit de onderstaande voorbeelden. Let wel, elk van deze acht zinnen is door een andere leerling geschreven. Bovendien heb ik nog talloze andere bewijsplaatsen van deze incongruentie gevonden.

  1. De hippies creërde een samenleving waarin liefde, vrede en respect centraal stond.
  2. Hoe maakte zij hun standpunt duidelijk in een samenleving waar ze niets van zweverige types moesten hebben?
  3. Ze gingen er zelf op uit en gebruikte hiervoor de straten en pleinen als tweede thuis.
  4. De hippies verzette zich hiertegen.
  5. Eind jaren 60 raakte de hippies geïnspireerd door oosterse leermeesters.
  6. Jongeren pikte dit op en voegde eigen ideologieën er aan toe.
  7. Ze hadden genoeg van het geweld in de Vietnam oorlog en idealiseerde een vrije maatschappij waar natuur en liefde belangrijk was.
  8. Op de festivals maakte de hippies veel gebruik van drugs.

De taalwerkelijkheid – de usus – is hier zonneklaar in strijd met de taalnorm – de ars grammatica. Betreft het hier niet louter een spellingwijziging zou men kunnen tegenwerpen? Jazeker, maar dat betekent niet dat dit binnen afzienbare tijd kan leiden tot een taalverandering in het gesproken Nederlands. Een soortgelijke ontwikkeling hebben we immers gezien bij de derde persoon enkelvoud van het werkwoord willen. Wat begon als spellingvariant – hij wilt – werd uiteindelijk ook aangetroffen in het gesproken Nederlands. Hoe lang zal het duren voordat de vormen hij kant en hij magt worden vernomen?

Pogingen om met behulp van de taalnorm de taalwerkelijkheid te manipuleren zijn in het verleden op niets uitgelopen. Taalgebruikers laten zich niet zo gemakkelijk ringeloren. Zolang taalnorm en taalwerkelijkheid niet samenvallen, wordt er van docenten in primair en voortgezet onderwijs verwacht dat zij zich blijven inspannen om de regels van de werkwoordspelling bij te brengen. Het ziet er naar uit dat bij de uitleg over de werkwoordspelling de komende jaren niet alleen aandacht moet uitgaan naar –te en –de maar zeker ook naar de meervoudssuffixen –ten en –den. Onvoldoende aandacht leidt namelijk tot fouten, ook als de regels bekend zijn. Misschien dat een kleine aanvulling op het welbekende ezelsbruggetje ervoor zorg kan dragen dat de n altijd wordt toegevoegd aan een persoonsvorm in het meervoud: ’T FoKSCHaaP, Nu!