Sudderplaatjes

Door Guusje Jol

We waren bij de blauw-gele meubelgigant-annex-grossier-in-Zweedse-gehaktballetjes.  Eén van de items op het boodschappenlijstje was een sudderplaatje. We hadden het gecheckt op de site en ze zouden er moeten zijn. Maar hoe we ook staarden naar de overweldigende hoeveelheid spullen op de kookafdeling: geen sudderplaatjes.

Intussen protesteerden mijn voeten, nam de drukte gestaag toe en was ik ervan overtuigd dat we over de sudderplaatjes heen keken. Tijd om een medewerker te benaderen. In dit geval vond ik na enig zoeken een medewerker die de voorraad aan het beheren was via één van de schermen in de zaak.

1   Ik:                                   [Mag ik u iets vragen.
2   Medewerker:               [((kijkt op van scherm))
3   Ik:                                   Waar kunnen we sudderplaatjes vinden?
4   Medewerker:                Bij Dille & Kamille.

Mag ik u iets vragen
Dat ‘Mag ik u iets vragen’ is een wonderlijk iets. Eigenlijk was het geen vraag, maar een oproep. En die vraagt om een beschikbaarstelling. Vergelijk het met een telefoon die gaat (de oproep) en de ander die opneemt met ‘hoi’ (de beschikbaarstelling). Of – met dank aan Ellie Lust en Wie is de mol? – je spreekt via een portofoon en roept iemand aan ‘hier X voor Y’ (oproep) en de ander zegt ‘hier Y, zegt het maar’ (beschikbaarstelling). En dan kun je  ter zake komen.

De morele plicht tot beschikbaarstelling
De beschikbaarstelling volgt niet toevallig vaak op de oproep; de oproep legt ook de morele plicht op opgeroepene om zich beschikbaar te stellen. Dat kun je zien als iemand niet reageert op een oproep. Dan beginnen we excuses te bedenken waaróm die persoon niet reageert ‘hij/zij heeft zeker niet gehoord’, ‘hij/zij is met iets anders bezig’ etc. Met andere woorden, we behandelen dat niet-beschikbaar stellen als iets wat uitleg nodig heeft. We gaan dus om met afwezige beschikbaarstellingen als iets dat er wel had moeten zijn en dus observeerbaar afwezig is.

Een andere manier waarop sprekers kunnen laten zien dat een beschikbaarstelling observeerbaar afwezig is, is als we een beschikbaarstelling alsnog najagen. Bijvoorbeeld een kind dat probeert de aandacht van de ouder te trekken: ‘papa’. En als de vader dan niet reageert: ‘papa (…) papa (…) papa (…) papa (…) papa (…) papa’ (herhaalde oproep en najagen van beschikbaarstelling). Het kind behandelt zo het gebrek aan beschikbaarstelling als onacceptabel. En zodra de vader dan zuchtend zegt ‘ja wat is er’, houdt het najagen (meestal) inderdaad ook op.

Ter zake
Eigenlijk functioneerde mijn ‘vraag’ dus ongeveer als de eerste ‘papa’. De medewerker behandelde het ook zo. Hij keek alleen op van z’n scherm (ergens tijdens mijn oproep/vraag; gemarkeerd door de vierkante haken) en stelde zich zo beschikbaar. Als hij had gereageerd met ‘natuurlijk’ of ‘daar zijn we voor’, had hij het wél als een vraag behandeld.

Vervolgens bevestig ik dat die beschikbaarstelling inderdaad voldoende is door meteen ter zake te komen. Stel dat ik had geprobeerd alsnog een antwoord uit te lokken, bijvoorbeeld door herhaling van: ‘Mag ik u iets vragen?’. Dan had ik de beschikbaarstelling als onvoldoende behandeld en was regel één met terugwerkende kracht geconstrueerd als vraag.

Zulke alternatieven hadden het gesprekje natuurlijk niet efficiënter gemaakt. En ik had noch mijzelf, noch mijn voeten, noch de medewerker er een plezier mee gedaan. Maar het blijft toch bijzonder hoe je met zo weinig zoveel kunt communiceren.

Cliffhanger
Over de regels drie en vier valt ook nog van alles te zeggen. Maar aangezien ik eigenlijk van plan was dit stukje afgelopen donderdag te plaatsen, laat ik die maar even als een cliffhanger bungelen. Voor nu: het moge duidelijk zijn dat we verder konden met ons boodschappenlijstje.