Moderne letterkunde: literair lachen om toeristen

Door Gaston Franssen

Literary tourism studies: dat klinkt misschien in eerste instantie als een wel erg specialistisch vakgebied, maar wanneer je er even over nadenkt, ontdek je al snel een rijkdom aan culturele fenomenen die je onder de noemer van literair toerisme kunt scharen. Denk maar aan de aantrekkingskracht van de huizen of graven van beroemde schrijvers op hun bewonderaars, of de behoefte van lezers om de ‘echte’ plekken op te zoeken waar hun favoriete romans of verhalen zich afspelen: Casa di Giulietta in Verona, Baker Street 221B in Londen, of het Amsterdamse Café Lowietje. Daarnaast is er natuurlijk niet alleen ‘literatuur’ in het toerisme, er is ook ‘toerisme’ in de literatuur. Sommige romans hebben, met al hun couleur locale, wel iets weg van een reisgids (de thrillers van Dan Brown zijn een goed voorbeeld). Ook is ‘de toerist’ een literair personage dat in talloze romans en verhalen opduikt – vaak als karikatuur. Het is met name deze laatste vorm van ‘literair toerisme’ die centraal staat in het recente artikel van Fieke de Hartog en Rob van der Schoor in het Journal of Dutch Literature.

De negentiende-eeuwse Lonely Planet

De Hartog en Van der Schoor focussen zich op de literatuur van de negentiende eeuw, de periode waarin het massatoerisme op gang begon te komen. In verhalen en romans geven schrijvers commentaar op de opkomst van ‘de toerist’, maar de prikkelende stelling van De Hartog en Van der Schoor is dat literaire werken óók invloed hadden op het daadwerkelijke gedrag van toeristen. Die konden uit de literatuur opmaken hoe je je als toerist behoorde te gedragen – en vooral hoe je je niet hoorde te gedragen, want de stereotypische toerist werd regelmatig als een belachelijk figuur afgeschilderd. De onderzoekers maken die trend inzichtelijk door een nauwkeurige lezing te presenteren van twee romans waarin een reis centraal staat: Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden (1841) van Vlerk, pseudoniem van Bernard Gewin (1812-1873), en Een Drenthsch gemeente-assessor met zijne twee neven op reis naar Amsterdam in ’t voorjaar van 1843 (1845, 1853), door het schrijverscollectief ‘De drie podagristen’ – Dubbeld Hemsing van der Scheer, Harm Boom en Alexander Lodewijk Lesturgeon.

Literatuur en toerisme gaan in de twee romans een bijzonder, paradoxaal huwelijk aan. Zo laten De Hartog en Van der Schoor zien dat Gewin in zijn satirische portret van de rondreizende Joachim Polsbroekerwoud en zijn vrienden de spot drijft met het type toerist dat op vakantie nauwelijks om zich heen kijkt en alleen maar in zijn reisgids zit te bladeren: ‘Voor sommige menschen is reizen eene eenigzins omslagtige geographie-les’, stelt de alwetende verteller vast: ‘Ik bedoel hier de zoodanigen, die men altijd met eene Guide des Voyageurs in de eene, en eene landkaart in de andere hand aantreft. […] Zij schijnen hun eigen gevoel niet genoeg te vertrouwen, om de hen omringende landstreek mooi te vinden, en wachten zich dus wel, hieromtrent iets in het midden te brengen, voordat zij in hun boek zien aangeteekend: “environs pitoresgues” of “entzückend schöne Gegend”.’

Tegelijkertijd is het boek van Gewin zélf een soort negentiende-eeuwse Lonely Planet: het boek zit vol met allerlei feitjes en wetenswaardigheden over omgevingen, steden en hotels. Wanneer Polsbroekerwoud en zijn vrienden intrek nemen in het beroemde Hotel des Bergues in Genève bijvoorbeeld, doet de verteller in de marge van de gebeurtenissen uitgebreid verslag van de geschiedenis van het hotel, de bezienswaardigheden van de streek (het standbeeld van Rousseau, de stoel van Voltaire, de Académie van Calvijn…), enzovoorts. Lezers krijgen dus tegelijkertijd voorgeschreven hoe ze zich als toerist moeten gedragen (‘zorg dat je deze must sees meepikt’) én wat ze vooral moeten nalaten (‘zit niet de hele tijd met je neus in de reisgids’).

Trendy Amsterdam of mooi Drenthe?

Interessant is ook de rol van de ‘sociale blik’. De Hartog en Van der Schoor laten mooi zien dat alle uitspraken over toeristen in de romans eigenlijk uitspraken over klasse zijn. De kritische oordelen van de verteller over de personages – en van de personages over elkaar – kun je zien als een vorm van wat men in de cultuursociologie distinctie noemt: het is manier waarop burgers uit de hogere (midden)klasse zich afzetten tegen burgers uit de lagere (midden)klasse. Illustratief is het portret van ‘Oom Berend’ in Een Drenthsch gemeente-assessor: wanneer de Drents plat pratende Berend een tripje naar Amsterdam maakt met zijn neven, probeert hij aan te haken bij de nieuwste trends in de hoofdstad: hij laat zich een brede hoed aanmeten, koopt een nieuwe broek, en laat zich knippen door de hippe kapper Ferminet.

Maar de eenvoudige Drentenaar valt gelijk door de mand: zijn hoed verregent, de broek krimpt, zijn kapsel is geruïneerd – en hij wordt op straat uitgelachen door de Amsterdammers. Het idee is natuurlijk dat de lezer met de Amsterdammer mee moet lachen om zoveel gebrek aan smaak en klasse, en zich zo in zijn eigen superieure sociale positie bevestigd ziet. Intussen is Oom Berend zelf tot het inzicht gekomen dat de Amsterdamse cultuur maar nep en oppervlakkig is: hij verlangt hevig terug naar het misschien weinig verfijnde, maar uiteindelijk authentieke Drenthe.

Een vraag die Hartog en Van der Schoor niet stellen, is: aan wie was de satirische boodschap van zulke romans nu eigenlijk gericht? Dat is jammer, want Een Drenthsch gemeente-assessor bijvoorbeeld is welbeschouwd een nogal dubbelzinnig boek: het is niet altijd duidelijk wie er nu precies om wie lacht. Is het mikpunt van spot nu de platte Drentenaren (‘moet je horen wat die belachelijke provincialen klaarspelen!’) of juist de o zo hippe Amsterdammers (‘kijk eens naar die malle stadmensen!’)? Het karikaturale portret van Oom Berend en zijn neven suggereert dat eerste, maar de morele boodschap – het arme Drenthe is in moreel opzicht rijker dan Amsterdam – doet dat laatste vermoeden. Daar komt nog eens bij dat de drie podagristen Drentenaren in hart en nieren waren: in allerlei andere teksten hebben hun streek van herkomst ondubbelzinnig de hemel in geprezen. De analyse van Hartog en Van der Schoor doet dus naar meer verlangen: wie las deze boeken en hoe werden ze gewaardeerd? Hoe hingen klasseverschillen in de negentiende-eeuwse samen met geografische verschillen? Hopelijk komen de auteurs in een vervolgpublicatie over literair toerisme op deze vragen terug.

Fieke de Hartog en Rob van de Schoor, ‘Mocking the Mob of Middle-Class Tourists: Dutch Nineteenth-Century Novels Competing with Travel Guides’, in: Journal of Dutch Literature, 8 (2017), 1, pp. 1-22.