Meelynchen

Door Marc Kregting

Geen vrees – niet nog een mening over de scoop dat Lucebert op 19-jarige leeftijd verregaande nazisympathieën koesterde. Wel toonde het bericht, en de ontvangst ervan, op meer manieren dat de orde der dingen nogal ingrijpend is veranderd.

Om te beginnen onderstreepte het een maatschappelijke verdeeldheid, die lang met het begrip ‘polarisatie’ is aangeduid. Terwijl dat echter vruchtbaar kon zijn voor een debat en voor ruimte aan dissensus, is het begrip opgevolgd door een metafoor, van de ‘loopgraaf’. Er wordt niet gedebatteerd over en weer, maar de eigen positie wordt versterkt.

Na het bericht over Lucebert was de ‘rechtse’ site ThePostOnline er zo snel bij dat er een tikfout in de kop sloop die een dag later nog niet hersteld is: ‘Grote paniek in babyboomerland: dichter Lucebert dweepte met nazisme en was anitsemiet.’ Dat hier antisemiet had moeten staan, stoffeerde een gangbare verontwaardiging over de actualiteit. ‘Linkse’ mensen zouden tegenwoordig uitsluitend onrecht aanklagen dat wordt aangedaan aan moslims, niet aan joden.

Want of Lucebert nu werd aangeduid als Swaanswijk of Zwaanswijk, hij was ‘links’, ‘communistisch’ zelfs, daar bestond geen twijfel over. En door het maatschappelijk engagement in zijn gedichten kon hij gelden als een wereldverbeteraar – een makkelijke prooi. De bij zelfverklaring ongenuanceerde site Geenstijl verwoordde dit in zijn bericht zo: ‘Kortste gedicht van Lucebert ontdekt: Heil Hitler’.

Meesmuilend legde het de aloude, nooit verflauwde kwestie over de autonomie van literatuur op tafel: ‘het wordt een lange dag discussiëren over de vraag of je het werk van een kunstenaar los mag zien van zijn polletieke overtuigingen’. De spreektalige verschrijving van ‘politiek’, met het impliciete vonnis ideologisch, gaf de uitkomst al.

De conclusie luidde dat gutmenschen, zoals altijd, hypocriet zijn. Zeer vele comments zouden dit idee schier wellustig kracht bijzetten. Dat absurde triomfalisme rijst uit de overtuiging dat links nooit te beroerd is om andersdenkenden op hun morele tekortkomingen te wijzen. En dat verwijt kreeg het ‘als een boemerang’ in het eigen gezicht geslingerd.

Met name één eigen regel ontving Lucebert in menig bericht retour: ‘alles van waarde is weerloos’ (op Geenstijl: ‘Wehrmachtlos’). De vliezen braken voor parallellen met andere auteurs, ook rechtse, en de behandeling die hun ten deel viel. Zo heeft het negentiende-eeuws aandoende werkwoord ‘deugen’ een ongekende lading gekregen, in een goed-foutschema waarmee potten ketels verwijten.

Luceberts poëzie zelf bleef onbelicht. Her en der werden er wel wat klassieke – vroege! – gedichten bij een bericht gepubliceerd. Zodat sommige regels unheimisch moesten worden? Bijvoorbeeld: ‘ik ben de schielijke oplichter / der liefde’?

Die exclusieve nadruk op de persoon verwondert uiteraard niet meer. Sterker, de aanleiding van de scoop lag in een biografie. De initiële berichtgeving weerspiegelde een gewijzigde constellatie. Ze behelsde namelijk geen recensie op het boek maar twee interviews met de biograaf, regelmatig onderbroken door de omineuze mantra ‘Tekst loopt door onder de foto’. De man onthulde daarbij meteen zijn eigen mentale en fysieke reactie op de ontdekking.

Daarbij waren de makers van de interviews geen Lucebert-of zelfs maar poëziespecialisten; ze opereerden binnen het cultuurindustriële kader van de literatuurjournalistiek. Van de uiteraard in de berichtgeving meegenomen reacties kwamen er nog immer geen Lucebertologen aan het woord. Wel was naar de mening gepolst van een collega-dichter, een omstreden geestverwant, een uitgever, de directeur van het Stedelijk Museum en later die van het Letterkundig Museum.

Eerst verbaasde me deze reactie: ‘De waardering voor het werk blijft onverminderd, en De Bezige Bij zal vanzelfsprekend altijd de uitgever van Lucebert blijven.’ Waarom zoiets benoemen, peinsde ik. Tot comments me wakker schudden, dat het al dan niet afstand doen van historische vergissingen een debatkwestie is die nogal aansleept.

Positionering lijkt dus onontkoombaar voor alles en iedereen; een kwaliteitskrant wijdde terstond haar redactioneel commentaar aan de scoop. Achteraf begreep ik dat een prozaschrijver meteen al, mogelijk ironisch, had getweet over repercussies. En inmiddels heeft een literator inderdaad geëist dat de Lucebertschool in Bergen een andere naam moet krijgen.

Voetbalcoach Co Adriaanse introduceerde ooit de term ‘steekvlamjournalistiek’. Het internet leent zich daar natuurlijk voor. Toch duurde het bijna een dag voordat er bij dit Lucebert-vuur een spoortje te ontdekken viel van de neerlandistiek, die bij uitstek de gedichten bestudeerd heeft. Misschien maar goed ook?

Studie in analytische zin lijkt zich wel steeds meer in de illegaliteit af te spelen, hoe deze (tweede) biograaf ook kan klagen over de geringe vergoeding voor zijn arbeid.

Open vraag is voor mij wat dit voor literatuur gaat betekenen. Voor een eigen onderzoek heb ik veel leestijd geïnvesteerd in internetmeningen dienomtrent – leerzaam, maar niet iets om vrolijker van te worden. Bijvoorbeeld onder het gefulmineer tegen kunstsubsidies en staatsprijzen gaat veel meer maatschappelijk onbehagen schuil.

Deze affaire voedt de neiging zich af te reageren op personen en te juichen bij vermeende bewijzen voor ondeugdelijkheid. Ook merknamen uit de branche kunnen losgaan met hun mening.

Van Luceberts generatie was in de Lage Landen tussen de onbetwiste namen de ook al ‘linkse’ Hugo Claus misschien wel de eerste wiens politieke jeugdzonden, overigens mede door Het verdriet van België, naar boven kwamen. De striemende oorlogskritiek van Hermans kwam daarna in een schriller licht toen zijn houding tegenover de Kultuurkamer bekend werd.

Ik wil dit stukje afsluiten en besef ineens niet op het communistenvretersorgaan te hebben gekeken dat in de bange jaren veertig-vijfenveertig al bestond: De Telegraaf. Maar ik vind er geen opinie over Lucebert. Wel een bericht over een oud-conservator die aan de KB zijn historische collectie erotica wil schenken, waaronder, ‘om een compleet beeld van de context te krijgen’, nazi-porno.

Wordt vervolgd

Dit stuk verscheen gisteren op Kregtings eigen weblog, De honingpot.