Een echt leesboek is ook een beetje een leerboek

Door Marc van Oostendorp

De dag dat Hugo Claus een interview gaf aan de Privé-pagina van De Telegraaf was een gedenkwaardige dag. Claus had net een roman gepubliceerd, Het jaar van de kreeft, waarover hij in de krant beweerde dat deze gebaseerd was op zijn relatie met de actrice Kitty Courbois. Het boek werd een bestseller.

Het jaar van de kreeft was, schrijft Linde de Potter in haar bijdrage aan de bundel Echte leesboeken. Publieksliteratuur in de twintigste eeuw, ook een boek dat gemaakt leek om een breder publiek te bereiken. Het verhaal wordt chronologisch verteld en bestaat vooral uit veel dialogen in heel korte hoofdstukjes – veelal niet langer dan een paar pagina’s. Aan het eind gaat de vrouwelijke hoofdpersoon dood – wat het boek doet lijken op andere goed verkopende boeken uit die jaren, zoals Turks Fruit en Love Story.

Tegelijk, zo laat De Potter zien, deed Claus zijn best om ook zijn traditionele lezersschaar van jonge intellectuelen niet te verlezen, en bleef Het jaar van de kreeft ook een spel met taal en verhaal.

Plaatjesboeken

Het is een soort rode draad in de bijdragen van Echte leesboeken, waarin bijvoorbeeld ook aan de orde komen de Avondliedkens van Alice Nahon, Joop ter Heul van Cissy van Marxveldt, Dorp aan de rivier van Antoon Coolen, de Kronkels van S. Carmiggelt en het boekenweekgeschenk De ortolaan van Maarten ’t Hart.

In hun inleiding wijzen de samenstellers Erica van Boven, Mathijs Sanders en Pieter Verstraeten erop dat het woord leesboek vreemd is. Er zijn natuurlijk ook wel ‘plaatjesboeken’ en ‘luisterboeken’, maar leesboeken worden meestal niet tegenover dat soort boeken geplaatst, maar tegenover boeken die men vermoedelijk ook leest: de ‘echte’ of de ‘hoge’ literatuur.

Ontrafelen

Vooral in de eerste decennia van de twintigste eeuw werd er enorm neergekeken op die ‘echte leesboeken’. Dat mensen alle delen van Merijntje Gijsen verslonden, daar werd je als literaire fijnproever boos over. Dat standpunt is denk ik niet helemaal verdwenen – ik ken wel mensen die wanhopig zijn over het succes van Dan Brown –, maar het is ook zeker niet meer dominant in het openbare gesprek over literatuur; veel mensen zijn nu geneigd om te denken dat alle lezen in ieder geval beter is dan spelletjes spelen op je mobiele telefoon.

Ik vond het interessant te zien dat er ook een aantal rode lijnen zijn: wat was het recept om in de twintigste eeuw een ‘leesboek’ te schrijven? Veel van de in Echte leesboeken besproken schrijvers hadden literaire aspiraties. Ina Boudier-Bakker begon aan De klop op de deur toen ze Buddenbrooks van Thomas Mann had gelezen. Carmiggelt en ’t Hart verwerkten allerlei al dan niet ironische verwijzingen naar de ‘hoge’ literatuur in hun werk. Koen Rymenants wijst erop dat Carmiggelt met zijn pastiches twee dingen bereikte: hij maakte de literatoren belachelijk en tegelijk liet hij zien dat hij die literaire stijl ook heus in de vingers had. Zoiets was misschien ook waar voor de lezers: ze konden de literatuur herkennen zonder er al te ingewikkelde teksten voor te hoeven ontrafelen.

Sympathie

In het algemeen geldt voor veel van de genoemde leesboeken ‘dat je er ook nog wat van opstak’. De Rechter Tie-verhalen van Robert van Gulik waren niet alleen spannende detectives, maar vertelden ook iets over Confucius en het klassieke China. De opstandigen van Jo van Ammers-Küller gaf een tijdsbeeld van een (net) voorbije periode. Yvonne Keuls zorgde met Jan Rap en z’n maat dan weer voor een inkijkje in de jeugdhulpverlening.  Een echt leesboek is ook een beetje een echt leerboek. (Het is ook niet moeilijk om internationale voorbeelden te vinden, zoals De naam van de roos van Umberto Eco of zelfs het verzameld werk van Dan Brown, met al zijn verwijzingen naar kunst en wetenschap uit voorbije tijden.)

Je krijgt door Echte leesboeken enorme sympathie voor die twintigste eeuwse lezers, die graag hele boeken ‘verslonden’, niet wars waren van een enkele literaire allusie, en ook graag er nog wat bijleerden. Zij waren geen literaire lezers; zij waren échte lezers.

Erica van Boven, Mathijs Sanders en Pieter Verstraeten. Echte leesboeken. Publieksliteratuur in de twintigste eeuw. Hilversum: Verloren, 2017. Bestelinformatie bij de uitgever.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column, letterkunde, recensies met de tags , , . Bookmark de permalink.